De zaak betreft een geldlening van €18.488,27 die eiseres, een vennootschap, in 2012 aan verweerster heeft verstrekt. Verweerster, dochter van de geldschieter, verkeerde na haar scheiding in financiële problemen. De rechtbank stelde vast dat de lening onbetwist is en dat verweerster geen tegenbewijs leverde.
Eiseres verzocht de rechtbank om op grond van artikel 7A:1798 BW een termijn vast te stellen waarbinnen de lening moet worden terugbetaald. Verweerster gaf aan een beperkt inkomen en vaste lasten te hebben, waardoor zij niet in staat is het bedrag ineens te voldoen.
De rechtbank overwoog dat terugbetaling in termijnen passend is, gezien de financiële situatie van verweerster en het doel van de lening om haar te helpen. De maandelijkse termijn werd vastgesteld op €300, met een laatste termijn van €188,27. De vordering inzake een eerdere lening uit 2009 werd afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd.