ECLI:NL:RBMNE:2019:2933

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2019
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
NL18.13730
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1798 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling terugbetalingstermijn geldlening tussen vader en dochter na scheiding

De zaak betreft een geldlening van €18.488,27 die eiseres, een vennootschap, in 2012 aan verweerster heeft verstrekt. Verweerster, dochter van de geldschieter, verkeerde na haar scheiding in financiële problemen. De rechtbank stelde vast dat de lening onbetwist is en dat verweerster geen tegenbewijs leverde.

Eiseres verzocht de rechtbank om op grond van artikel 7A:1798 BW een termijn vast te stellen waarbinnen de lening moet worden terugbetaald. Verweerster gaf aan een beperkt inkomen en vaste lasten te hebben, waardoor zij niet in staat is het bedrag ineens te voldoen.

De rechtbank overwoog dat terugbetaling in termijnen passend is, gezien de financiële situatie van verweerster en het doel van de lening om haar te helpen. De maandelijkse termijn werd vastgesteld op €300, met een laatste termijn van €188,27. De vordering inzake een eerdere lening uit 2009 werd afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Verweerster moet de geldlening van €18.488,27 in maandelijkse termijnen van €300 terugbetalen vanaf augustus 2019.

Uitspraak

VONNIS
_________________________________________________________________ _
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: NL18.13730
Vonnis van 1 juli 2019
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
advocaat mr. A.W. van Luipen te Zeist,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
advocaat mr. A.M. Verbrugge te Haarlem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 19 april 2019.

2.De verdere beoordeling

Geldlening van € 18.488,27 van 24 mei 2012

2.1.
Bij vonnis van 19 april 2019 (het tussenvonnis) is [verweerster] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de op voorhand bewezen geachte stelling van [eiseres] dat de betaling van € 18.488,27 op 24 mei 2012 door [eiseres] aan [verweerster] een geldlening betrof.
2.2.
De advocaat van [verweerster] heeft de griffie van de rechtbank bericht dat [verweerster] afziet van de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs, zodat dit tegenbewijs niet is geleverd. Dit betekent dat is komen vast te staan dat de betaling van € 18.488,27 een geldlening betrof, waarbij partijen zijn overeengekomen dat [verweerster] de geleende geldsom zal terugbetalen wanneer zij daartoe in staat zal zijn. Zoals in het tussenvonnis al is overwogen, zal de vordering tot betaling van rente over de geldlening worden afgewezen.
2.3.
[eiseres] heeft de rechtbank tijdens de comparitie van partijen verzocht op basis van artikel 7A:1798 BW (dat gold toen de leningsovereenkomst werd gesloten) een termijn vast te stellen waarbinnen [verweerster] de geldlening moet terugbetalen. Dit artikel bepaalt (kort gezegd en vertaald naar deze situatie) dat als is afgesproken dat een uitgeleend bedrag wordt terugbetaald wanneer de schuldenaar daartoe in staat is, de rechter een termijn van terugbetaling bepaalt. Bij het bepalen van de termijn van terugbetaling houdt de rechter rekening met alle omstandigheden van het geval.
2.4.
[eiseres] heeft verzocht om de termijn van terugbetaling vast te stellen op de datum van het vonnis. Hierbij voert [eiseres] aan dat deze kwestie al lang duurt en dat er duidelijkheid moet komen. De vennootschap [eiseres] moet, in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van de heer [A] , een keer worden geliquideerd. Ook moeten adviseurs van [eiseres] worden betaald.
2.5.
[verweerster] heeft aangegeven dat zij ongeveer € 1.800,- netto per maand verdient, en vaste lasten heeft tussen € 1.000,- en € 1.200,- per maand. Zij had op 8 maart 2019 een schuld van € 3.000,- bij de Belastingdienst. Verder is de financiële situatie van [verweerster] normaal.
2.6.
De rechtbank overweegt als volgt. [verweerster] en haar ex-partner [B] zijn begin 2012 gescheiden. Zij hebben hun woning toen met verlies verkocht, waarbij voor [verweerster] een restschuld overbleef van € 18.488,12. Omdat [verweerster] dat bedrag niet kon betalen, heeft [A] (de vader van [verweerster] ) haar geholpen door haar via zijn vennootschap [eiseres] het geld te lenen. Het gaat hier dus om een vader die zijn dochter hielp, nadat zij door haar scheiding in de financiële problemen dreigde te raken. [verweerster] heeft op dit moment niet de financiële ruimte om het geldbedrag ineens terug te betalen. Wanneer [verweerster] dat zal moeten doen, raakt zij hoogstwaarschijnlijk alsnog in de financiële problemen, terwijl [A] dat juist heeft proberen te voorkomen door via [eiseres] aan haar de geldlening te verstrekken. De rechtbank zal daarom bepalen dat de geldlening in termijnen moet worden terugbetaald. Hierbij wordt rekening gehouden met de draagkracht van [verweerster] . Dit weegt voor de rechtbank zwaarder dan de omstandigheid dat de vereffenaar van de nalatenschap van [A] de vennootschap [eiseres] graag snel wil liquideren. De stelling van [eiseres] dat adviseurs van de vennootschap moeten worden betaald, is niet verder gespecificeerd zodat de rechtbank daarmee geen rekening kan houden omdat niet bekend is om welke bedragen dat gaat.
2.7.
Op grond van het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om [verweerster] te veroordelen het geleende geldbedrag van € 18.488,27 gespreid terug te betalen in maandelijkse termijnen van € 300,-, met een laatste termijn van € 188,27. De eerste termijn moet worden voldaan voor 1 augustus 2019 en de volgende termijnen steeds voor de eerste kalenderdag van de maand.
Geldlening van € 11.000,- van 4 maart 2009
2.8.
Zoals in het tussenvonnis al is overwogen, zullen de vorderingen van [eiseres] voor zover die zien op de geldlening van 4 maart 2009 worden afgewezen.
Proceskosten
2.9.
Omdat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [verweerster] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.488,27 in opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 300,- en een laatste termijn van € 188,27, waarbij de eerste termijn moet worden voldaan voor 1 augustus 2019 en de volgende termijnen steeds voor de eerste kalenderdag van de maand,
3.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.B.W. Beekman en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2019.