Verzoekster was sinds 2012 in dienst bij verweerster en werkte onder meer als administratief medewerkster. Zij heeft gedurende twee jaar, vanaf januari 2017, zonder toestemming grote bedragen van circa €193.000 van de bankrekeningen van verweerster en haar aandeelhouder naar haar eigen rekening overgemaakt. Dit werd ontdekt op 31 januari 2019, waarna zij direct op non-actief werd gesteld en op 4 februari 2019 op staande voet werd ontslagen.
Verzoekster betwistte het ontslag en stelde dat haar handelen voortvloeide uit psychische stoornissen, waaronder borderline en een eetstoornis, en een shopverslaving, waardoor zij niet uit vrije wil handelde. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onverwijld en terecht is gegeven, omdat de gedragingen een dringende reden vormen waarvoor de arbeidsovereenkomst onmiddellijk kon worden beëindigd.
Hoewel ernstig verwijtbaar handelen vereist is voor het toekennen van een transitievergoeding, oordeelde de kantonrechter dat de ernst en omvang van het vergrijp zwaarder wegen dan de psychische problematiek van verzoekster. Er is geen voldoende oorzakelijk verband aangetoond tussen haar stoornissen en het handelen. Daarom is toekenning van een transitievergoeding onaanvaardbaar.
De vordering tot betaling van de eindafrekening werd afgewezen vanwege verrekening met de vordering van verweerster tot terugbetaling van het verduisterde bedrag. De voorwaardelijke tegenverzoeken van verweerster behoefden geen beslissing meer. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.