Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek van [verzoekster] en het tegenverzoek van [verweerster]
4.De beoordeling
720,00(2 punten x tarief € 360,00)
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster was sinds september 2018 in dienst bij verweerster als begeleider op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 4 februari 2019 werd zij op staande voet ontslagen na gesprekken over haar functioneren en het geven van een schriftelijke waarschuwing. Verzoekster stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en dat er geen dringende reden bestond voor het ontslag.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag wel onverwijld was gegeven, omdat het besluit op 4 februari 2019 tijdens het gesprek werd genomen en direct werd bevestigd. Echter, de dringende redenen die verweerster aanvoerde waren onvoldoende onderbouwd. De klachten over het functioneren waren al bekend en gaven eerder aanleiding tot een waarschuwing dan tot ontslag. Ook de communicatieproblemen en incidenten werden door verzoekster gemotiveerd betwist en konden ook een uiting van onmacht zijn.
Daarom was er geen sprake van een situatie waarin van de werkgever redelijkerwijs kon worden verlangd de arbeidsovereenkomst onmiddellijk te beëindigen. Het ontslag op staande voet werd vernietigd. Het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd afgewezen wegens gebrek aan belang, omdat het contract van rechtswege zou eindigen per 1 september 2019.
Verweerster werd veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 5 februari tot en met augustus 2019, inclusief een wettelijke verhoging en rente, het verstrekken van loonspecificaties, betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het verzoek tot werkhervatting en rectificatie van de melding aan de Inspectie werden afgewezen.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon en kosten.