ECLI:NL:RBMNE:2019:3180

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juli 2019
Publicatiedatum
15 juli 2019
Zaaknummer
482904 / HA RK 19-180
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. P.J. Neijt, rechter in een lopende zaak, wegens vermeende schijn van partijdigheid nadat hij de zitting voortzette ondanks een eerder wrakingsverzoek.

De wrakingskamer onderzocht of het voortzetten van de mondelinge behandeling na het wrakingsverzoek een gegronde reden voor wraking vormde. Uit het proces-verbaal bleek dat de rechter zijn verantwoordelijkheid nam om spoedig te beslissen en alleen noodmaatregelen behandelde, zonder inhoudelijke behandeling van het verzoek.

Verzoekster stelde dat zij niet mocht repliceren na de reactie van de bewindvoerder, maar dit werd niet als wrakingsgrond erkend. De wrakingskamer concludeerde dat geen sprake was van schending van onpartijdigheid en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond.

De procedure in de onderliggende zaak wordt voortgezet in de stand van schorsing. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Neijt wordt ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Zaaknummer/rekestnummer: 482904 / HA RK 19-180
Schriftelijke uitwerking van de beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 25 juni 2019
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: verzoekster.
raadslieden: mrs. T.B. de Clerck en R.J. van Galen

1.De procedure

Op 25 juni 2019 heeft de wrakingskamer een beslissing gegeven op het wrakingsverzoek van verzoekster tegen mr. P.J. Neijt van 19 juni 2019. Dit betrof een verkorte beslissing. Het onderstaande vormt de in die beslissing toegezegde nadere schriftelijke uitwerking daarvan en is op 11 juli 2019 vastgesteld.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. P.J. Neijt, rechter in de zaak met kenmerk S.16/1915.
2.2.
Verzoekster heeft aangegeven dat, nadat zij mr. Neijt had gewraakt tijdens de behandeling van de zaak met kenmerk S.16/1915 (eerste wrakingsverzoek), mr. Neijt is doorgegaan met de inhoudelijke behandeling van de zitting. Mr. Neijt heeft tijdens de zitting, na de wraking, meegedeeld dat hij hoe dan ook doorgaat met de zitting, desnoods met het nemen van een noodbeschikking. Dit duidt opnieuw op een schijn van partijdigheid, aldus verzoekster.
2.3.
Het wrakingsverzoek is behandeld op de zitting van de wrakingskamer van 25 juni 2019. Op die zitting hebben de advocaten van verzoekster het wrakingsverzoek nader toegelicht en aangegeven dat mr. Neijt, na de aanhouding van de behandeling van het eerste wrakingsverzoek door de wrakingskamer, heeft gemeend de zitting in de zaak met kenmerk S.16/1915 te moeten voortzetten. Uit het proces-verbaal van de voortzetting van de behandeling door mr. Neijt blijkt dat hij herhaaldelijk voorstelt om het omzettingsverzoek van de bewindvoerder inhoudelijk te behandelen, zodat hij snel kan beslissen zonder nadere zitting. Ook blijkt de vooringenomenheid van mr. Neijt uit de door hem genomen beslissingen over de procesorde. Voor zover mr. Neijt al bevoegd zou zijn om dergelijke beslissingen te nemen – hangende de wrakingsverzoeken – heeft hij miskend dat verzoekster recht heeft op een mondelinge behandeling en waarbij het niet zo kan zijn dat de verzoekende partij het laatste woord krijgt, aldus verzoekster.
2.4.
Mr. Neijt heeft niet berust in de wraking.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek is gebaseerd op het voortzetten van de mondelinge behandeling, nadat er door verzoekster een wrakingsverzoek was ingediend tegen mr. Neijt. De wrakingskamer dient derhalve vast te stellen of juist is de veronderstelling van verzoekster dat mr. Neijt ondanks het wrakingsverzoek de mondelinge behandeling van het omzettingsverzoek heeft voortgezet als ware er geen wraking gedaan. Vervolgens dient te worden vastgesteld of, in het geval van een dergelijke voortzetting sprake is geweest, dit dient te leiden tot een gegronde wraking.
3.4.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting na het wrakingsverzoek blijkt dat de rechter meerdere malen heeft benadrukt dat een rechter een eigen verantwoordelijkheid heeft om zorg te dragen voor een spoedige beslissing op het omzettingsverzoek. Mr. Neijt heeft, blijkens het proces-verbaal, aan partijen voorgehouden, dat hij, ondanks de wraking, nog heeft te beslissen of noodmaatregelen genomen moeten worden. Hij heeft partijen gehoord over zijn voornemen een noodmaatregel te treffen in die zin dat hij zonder verdere vertraging de door hem noodzakelijk geachte definitieve beslissing kan nemen, indien het wrakingsverzoek op 25 juni 2019 door de wrakingskamer wordt afgewezen - dan wel nadere voorlopige maatregelen kan treffen, indien een onmiddellijke beslissing van de wrakingskamer uitblijft. Hij heeft aangegeven dat bij toewijzing van het wrakingsverzoek een andere rechter zal moeten beslissen. Uit het proces verbaal volgt dan ook dat geen inhoudelijke behandeling van het verzoek van de bewindvoerder meer heeft plaatsgevonden, al zijn inhoudelijke aspecten wel aan de orde gekomen ter beoordeling van de vraag of een noodmaatregel moet worden getroffen. De rechter heeft een ‘spoorboekje’ gemaakt met het doel dat deze rechter dan wel een andere rechter noodzakelijke beslissingen zal kunnen nemen onmiddellijk na de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer. De door de rechter geboden mogelijkheid aan partijen om hun standpunten met hulp van een advocaat reeds uiteen te zetten, voordat de wrakingskamer het verzoek heeft behandeld, is een instructie aan partijen hoe zij hun procedure moeten voeren om een efficiënte en tijdige beslissing mogelijk te maken, nadat de schorsingsgrond is opgeheven. Dit is niet aan te merken als een behandeling van de zaak door de rechter. De rechter beperkt zich tot een beslissing over het treffen van noodzakelijk geoordeelde maatregelen ter voorkoming van ontoelaatbare schade bij het uitblijven van een rechterlijke beslissing.
3.5.
Verzoekster heeft voorts nog aangevoerd dat de rechter haar de mogelijkheid heeft onthouden om te repliceren nadat de bewindvoerder haar reactie had ingediend. De wrakingskamer oordeelt dat dit argument mogelijk de vraag oproept of het ‘spoorboekje’ voldoet aan de eisen van hoor en wederhoor, maar dat hieruit geenszins volgt dat de mondelinge behandeling, ondanks de schorsing, inhoudelijk is voortgezet. Dit argument ondersteunt derhalve de wrakingsgrond niet. Nu verzoekster dit argument evenmin als een nieuwe wrakingsgrond heeft aangevoerd, daargelaten of dat nog mogelijk was, is dit niet aan de wrakingskamer ter beoordeling is voorgelegd.
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.
3.7.
Namens mr. Neijt is verzocht aan verzoekster een verbod op te leggen tot wraking in de zaak met nummer S.16/1915. De wrakingskamer gaat hiertoe niet over. Het is juist dat verzoekster voor dit wrakingsverzoek tegen mr. Neijt ook een wrakingsverzoek heeft ingediend tegen mr. Neijt. Van misbruik van procesrecht door verzoekster is echter niet gebleken.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen en aan de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer S.16/1915 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Slootweg, voorzitter, mrs. D.J. van Maanen en
mr. R.J. Praamstra als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L.C.J. van der Heijden en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.