In deze zaak gaat het om een tussentijdse beoordeling van de voortzetting van een voorwaardelijke ISD-maatregel die in 2014 werd opgelegd met een proeftijd van drie jaar. In 2016 werd deze proeftijd onrechtmatig met een jaar verlengd, terwijl de wet dit niet toestaat. Desondanks werd in 2018 de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel bevolen vanwege een overtreding van een bijzondere voorwaarde tijdens de verlengde proeftijd.
De rechtbank constateert dat de beslissingen uit 2016 en 2018 onherroepelijk zijn en rechtskracht behouden, ondanks de strijdigheid met de wet. Echter, de rechtbank weegt mee dat de tenuitvoerlegging in 2018 niet zou zijn bevolen als de onrechtmatige verlenging van de proeftijd was onderkend. Dit betekent dat de voortzetting van de maatregel niet gerechtvaardigd is.
Op verzoek van de veroordeelde en na het horen van partijen en deskundigen, besluit de rechtbank de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te beëindigen met ingang van de datum waarop deze beslissing onherroepelijk wordt, conform artikel 509ee lid 6 Sv.