De zaak betreft een beroep van de Vereniging van Eigenaren tegen het besluit van de burgemeester van Utrecht om een exploitatievergunning te verlenen voor een kleinschalig hotel met zes kamers op een perceel in de binnenstad. De vergunninghouder heeft tevens een omgevingsvergunning voor het afwijkend gebruik van het pand als hotel gekregen, welke door de rechtbank is bevestigd.
De eiseres stelde dat de exploitatievergunning moest worden geweigerd omdat het hotel in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en omdat de aanvrager van de exploitatievergunning niet dezelfde was als die van de omgevingsvergunning. De rechtbank oordeelde dat de omgevingsvergunning het bestemmingsplan overruilde en dat de Horecaverordening Utrecht 2015 geen vereiste stelt dat dezelfde persoon de vergunningen moet aanvragen.
Verder voerde eiseres aan dat het woon- en leefklimaat in de omgeving door het hotel op ontoelaatbare wijze zou worden aangetast. De rechtbank stelde vast dat het hotel kleinschalig is, alleen ontbijt aanbiedt en zich bevindt in een centrumstedelijke omgeving waar enige druk inherent is. De vrees voor overlast en niet-naleving van regels was onvoldoende onderbouwd om de vergunning te weigeren.
Tot slot wees de rechtbank de vrees van eiseres voor toekomstige uitbreidingen af, omdat de vergunning slechts ziet op het huidige hotel met zes kamers en geen restaurant. De rechtbank concludeerde dat de burgemeester de exploitatievergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen en verklaarde het beroep ongegrond.