Eiseres maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor het realiseren van een kleinschalig hotel, verleend aan een derde-partij. De vergunning werd op 19 mei 2017 bekendgemaakt, waarna de bezwaartermijn van zes weken startte en eindigde op 30 juni 2017. Eiseres diende haar bezwaar pas op 13 juli 2017 in, waardoor dit te laat was.
Eiseres voerde aan dat een derde-partij namens haar op 30 juni 2017 pro forma bezwaar had gemaakt, met een handtekeningenlijst die haar machtiging zou aantonen. De rechtbank stelde vast dat deze lijst dateerde van vóór de vergunningverlening en dat het bezwaar van 30 juni niet namens eiseres was ingediend. Bovendien vermeldde het latere bezwaar van 11 juli 2017 niets over het eerdere bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat eiseres zelf voor het eerst bezwaar maakte op 11 juli 2017 en dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de termijn. Er was geen reden om te veronderstellen dat verweerder in verzuim was door de derde-partij geen gelegenheid te geven een machtiging te overleggen. Het beroep werd ongegrond verklaard.