Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een kleinschalig hotel op een perceel met de bestemming wonen, wat in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Eiseres, een omwonende, maakte bezwaar en stelde dat de belangen van omwonenden onvoldoende waren meegewogen en dat het hotel niet past in de zwaar belaste woonomgeving.
De rechtbank stelt vast dat het college bevoegd was om de vergunning te verlenen op grond van artikel 2.12 Wabo, ondanks strijd met het bestemmingsplan. De toetsing is terughoudend en richt zich op de redelijkheid van de belangenafweging. Het college heeft de belangen van de vergunninghouder zwaarder mogen laten wegen dan die van eiseres, mede vanwege het gemeentelijke hotelbeleid dat inzet op uitbreiding van hotelkamers in of nabij de binnenstad.
De rechtbank acht de toename van zes hotelkamers niet onacceptabel voor het woon- en leefklimaat, mede omdat dit slechts een geringe uitbreiding is ten opzichte van de toegestane Bed & Breakfast met maximaal vier kamers. De geluiden die bij een kleinschalig hotel horen passen binnen een centrumstedelijke omgeving. De vrees van eiseres dat vergunninghouder zich niet aan voorschriften houdt en toekomstige uitbreidingen zijn volgens de rechtbank kwesties voor handhaving en niet voor deze procedure.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt zij de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning.