De rechtbank Midden-Nederland heeft op 17 juli 2019 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een projectplan van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. In een eerdere tussenuitspraak van 13 maart 2019 was vastgesteld dat het oorspronkelijke projectplan van 5 juni 2018 onvoldoende inzicht gaf in de mogelijke nadelige gevolgen van het project en de te treffen voorzieningen, in strijd met artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet. Verweerder kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen.
Verweerder heeft op 16 april 2019 een nieuw projectplan vastgesteld met een toegevoegde paragraaf waarin nadelige gevolgen en mogelijke maatregelen worden beschreven. De rechtbank oordeelt dat hiermee het tekort is hersteld. Eisers voerden aan dat de nadelige gevolgen onvoldoende concreet zijn en tot op perceelniveau beschreven moeten worden, maar de rechtbank volgt dit niet. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat een dergelijke detaillering niet vereist is.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser 1 en draagt zij het griffierecht aan hem te vergoeden. De proceskosten van eiser 2 worden niet toegewezen omdat deze geen gronden heeft aangevoerd die hebben geleid tot het nieuwe projectplan.