ECLI:NL:RBMNE:2019:3608
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling na beroep
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 3 juli 2019 het beroep van eiser tegen de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning in [woonplaats] voor het belastingjaar 2018. Verweerder had de waarde vastgesteld op €388.000 en deze na bezwaar verlaagd naar €378.000. Eiser stelde een lagere waarde van €245.000 voor.
Tijdens de zitting werden aanvullende stukken van eiser toegelaten, die verweerder niet in zijn belangen schaadden. De rechtbank beoordeelde de vergelijkingsmethode die verweerder gebruikte met drie referentiewoningen, maar constateerde dat verweerder onjuiste inhoudsgegevens hanteerde, waardoor de waarde niet aannemelijk werd gemaakt.
Eiser maakte zijn lagere waarde ook niet aannemelijk omdat hij de woning vergeleek met onvoldoende vergelijkbare jaren ’50 woningen. Daarom stelde de rechtbank zelf de WOZ-waarde in goede justitie vast op €340.000. Het beroep werd gegrond verklaard, de bestreden uitspraak op bezwaar vernietigd, en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser, inclusief vergoeding van het griffierecht en taxatiekosten.
Uitkomst: De rechtbank stelt de WOZ-waarde vast op €340.000 en veroordeelt verweerder in de proceskosten en griffierecht.