De zaak betreft een verzoek van de voogd, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, om toestemming te verkrijgen voor wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige naar een gezinshuis. De minderjarige verblijft sinds mei 2018 bij haar opa en oma, die als pleegouders optreden. Opa en oma verlenen geen toestemming voor de wijziging en wensen dat de kinderrechter het verzoek afwijst of eerst nader onderzoek verricht.
De kinderrechter overweegt dat de voogd toestemming nodig heeft om de verblijfplaats te wijzigen omdat de minderjarige langer dan een jaar bij opa en oma woont. De rechter toetst of het belang van de minderjarige dit toestaat. Gelet op de problematische thuissituatie van de minderjarige, waaronder het overlijden van haar moeder, eerdere onstabiele woonplaatsen, en de aanwezigheid van huiselijk geweld en verslavingsproblemen in haar verleden, acht de rechter het belang van de minderjarige gediend met een stabiele woonomgeving in een gezinshuis.
De kinderrechter constateert dat opa en oma niet als pleeggezin zijn goedgekeurd, een strafblad hebben en recent betrokken waren bij een incident met een vuurwapen, wat de stabiliteit en veiligheid van de huidige situatie ondermijnt. Ook is er sprake van financiële problemen en beperkte ondersteuning voor opa en oma. Daarom wordt het verzoek van de voogd toegewezen, met een termijn van zes maanden waarbinnen een geschikte plek in een gezinshuis moet worden gevonden. Tot die tijd blijft de minderjarige bij opa en oma wonen.
De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019 door kinderrechter M.A.A.T. Engbers. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.