ECLI:NL:RBMNE:2019:3717

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 augustus 2019
Publicatiedatum
9 augustus 2019
Zaaknummer
C/16/483964 / FA RK 19-3940
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek provisionele voorziening voor verhoging kinderalimentatie

De vrouw en de man zijn gescheiden en hebben twee kinderen, waarvan één minderjarig is. Bij de echtscheiding is afgesproken dat de man €300 per kind per maand aan kinderalimentatie betaalt. De vrouw verzoekt om verhoging van de alimentatie voor het minderjarige kind omdat de zorgverdeling is gewijzigd en zij hogere kosten maakt.

De vrouw vraagt een voorlopige voorziening om de alimentatie te verhogen tot €567,36 per maand zolang de bodemprocedure loopt. De man verzet zich tegen dit verzoek en stelt dat er geen noodzaak is voor een spoedmaatregel, mede omdat er pogingen zijn om het contact met het kind te herstellen en hij nog extra kosten draagt.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van spoedeisend belang. Zij heeft niet duidelijk gemaakt wat haar huidige inkomsten zijn en hoe hoog de kosten voor het kind zijn, waardoor niet kan worden vastgesteld dat zij de kosten niet kan dragen zonder de voorlopige voorziening.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. De beslissing is genomen door kinderrechter J.R. van Es-de Vries en uitgesproken op 13 augustus 2019.

Uitkomst: Het verzoek om een provisionele voorziening voor verhoging van de kinderalimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/483964 / FA RK 19-3940
Provisionele voorziening
Beschikking van 13 augustus 2019
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente Utrecht,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.P. van Stralen,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.M. Maliepaard.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft ontvangen en gelezen:
  • het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 9 juli 2019;
  • het verweerschrift van de man, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 26 juli 2019.
1.2.
De rechtbank heeft op basis van de hiervoor genoemde stukken een beslissing genomen op het verzoek.

2.2. De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij hebben samen twee kinderen, namelijk:
  • [kind 1], geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2006;
  • [kind 2], geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1999.
[voornaam van kind 2] is inmiddels meerderjarig en [voornaam van kind 1] is nog minderjarig.
2.2.
Ten tijde van de echtscheiding hebben partijen afgesproken dat de man een bedrag aan kinderalimentatie zou betalen van € 300,- per kind per maand. De vrouw wil dat die kinderalimentatie wordt verhoogd, omdat inmiddels de omstandigheden zijn gewijzigd. Toen de eerdere kinderalimentatie werd afgesproken, verbleven de kinderen namelijk nog ongeveer de helft van de tijd bij de man. Volgens de vrouw is dat inmiddels niet meer zo en heeft zij daardoor nu hogere kosten voor [voornaam van kind 1] , terwijl de man juist minder kosten heeft. Zij vindt daarom dat de man in staat is om meer alimentatie te betalen. Om die reden heeft zij in een zogenoemde ‘bodemprocedure’ een verzoekschrift ingediend, waarin zij een hogere kinderalimentatie vraagt. Die procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/16/483970 / FA RK 19-3942. De rechtbank heeft daarbij aan de man een termijn gegeven om verweer te voeren tegen dit verzoek. De vrouw vraagt nu om – voor zolang nog geen beslissing is genomen in die bodemprocedure – als spoedmaatregel te bepalen dat de man een kinderalimentatie van € 567,36 per maand zal moeten betalen. Zij zegt namelijk dat zij nu niet de middelen heeft om alle kosten van [voornaam van kind 1] te betalen en daarom belang heeft bij een spoedmaatregel.
2.3.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw. Hij vindt dat er geen noodzaak is om een spoedmaatregel te nemen. Volgens hem wordt er via hulpverlening geprobeerd om het contact tussen hem en [voornaam van kind 1] te herstellen. Ook zegt hij dat hij nog extra kosten voor zijn rekening heeft genomen voor [voornaam van kind 1] . Verder zegt hij dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, omdat zij (onder meer) niet duidelijk heeft gemaakt wat haar huidige inkomen is.
Wat vindt de rechtbank?
2.4.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om een spoedmaatregel te treffen afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
2.4.1.
De vrouw vraagt hier om een spoedmaatregel voor de duur van de procedure, ook wel een ‘provisionele voorziening’ genoemd. De rechtbank kan alleen een provisionele voorziening treffen, als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten. [1] Eén van die vereisten is dat er voldoende spoed is bij de te nemen voorziening. Er moet zoveel spoed zijn dat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.
2.4.2.
De rechtbank vindt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat die situatie zich hier voordoet. Zij zegt alleen dat zij over onvoldoende middelen beschikt om alle kosten van [voornaam van kind 1] te voldoen. Zij geeft echter niet aan hoe hoog deze kosten van [voornaam van kind 1] zijn en wat haar eigen inkomsten op dit moment zijn. Daardoor kan de rechtbank niet beoordelen of de vrouw inderdaad middelen te kort komt om de kosten van [voornaam van kind 1] te kunnen betalen en of er dus een spoedmaatregel nodig is. Aangezien de vrouw degene is die om een spoedmaatregel vraagt, is zij degene die dit had moeten onderbouwen. De rechtbank wijst daarom het verzoek om een spoedmaatregel te treffen af.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.M.H. de Wit als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.
..

Voetnoten

1.Artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).