ECLI:NL:RBMNE:2019:3785

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2019
Publicatiedatum
12 augustus 2019
Zaaknummer
18/3111-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 2:1 AwbArt. 8:24 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet betalen griffierecht

Opposante B.V. heeft tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Almere beroep ingesteld, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan. Opposante deed hiertegen verzet en stelde dat de griffierechtnota onjuist was geadresseerd aan de gemachtigde in plaats van aan haarzelf, en dat de wet geen definitie geeft van 'indiener'.

De rechtbank overwoog dat de wet geen nadere uitleg geeft over het begrip 'indiener', maar dat volgens de wetsgeschiedenis en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gemachtigde als partij wordt aangemerkt en dat stukken, inclusief griffierechtnota's, aan de gemachtigde moeten worden gestuurd. Daarom is het juist dat de griffierechtnota aan de gemachtigde is gericht.

De rechtbank zag geen aanleiding om haar werkwijze aan te passen op grond van het belang van opposante of de werkwijze van andere rechtbanken. Omdat het verzet zich beperkt tot de ontvankelijkheid van het beroep en niet tot de inhoudelijke beoordeling, werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig betalen van griffierecht blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/3111-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2019 op het verzet van

[opposante] B.V., te [vestigingsplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, geopposeerde.

Procesverloop

Bij uitspraak van 12 december 2018 heeft deze rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van opposante, gericht tegen de uitspraak van 2 augustus 2018 van de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is hiertoe overgegaan, omdat opposante niet heeft voldaan aan de verplichting (tijdig) het griffierecht te voldoen.
Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet gedaan.
Opposante is in de gelegenheid gesteld op 19 juni 2019 ter zitting te worden gehoord. De gemachtigde van opposante is ter zitting verschenen. Geopposeerde is niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb -voorzover hier van belang- kan een belanghebbende tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb verzet doen bij de rechtbank. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan op grond van artikel 8:55, achtste lid, van de Awb in stand.
2. Primair voert opposante aan dat de griffierechtnota nimmer op het juiste adres is ontvangen met de juiste tenaamstelling. Volgens opposante dient de griffienota op naam van opposante te worden gesteld en aan opposante zelf geadresseerd te worden. Hier is de griffienota ten onrechte op naam van de gemachtigde van opposante gesteld en aan gemachtigde van opposante verstuurd. Opposante heeft aangevoerd dat volgens de wet de indiener van het beroepschrift het griffierecht moet betalen en dat in de wet geen uitleg van het woord ‘indiener’ staat. Volgens opposante is de indiener de belanghebbende, omdat de gemachtigde het beroepschrift namens de belanghebbende indient. Subsidiair verzoekt opposante de griffienota op naam van opposante zelf te stellen, naar het adres van gemachtigde van opposante te sturen en daarbij het in geding zijnde object te vermelden. Opposante verzoekt, in het geval dat het betoog op grond van de wet volgens de rechtbank niet kan slagen, de griffienota op naam van opposante zelf te stellen in het kader van het belang van opposante. Door de vele verschillende zaaknummers in bezwaar en beroep is het voor gemachtigde van opposante lastig om te zien welke griffierechtnota op welke procedure ziet. Als de rechtbank de tenaamstelling van de griffierechtnota aanpast en het in geding zijnde object vermeldt, kan dit probleem worden opgelost. Opposante voert tevens aan dat rechtbank Zeeland-West-Brabant, rechtbank Noord-Nederland, rechtbank Amsterdam, rechtbank Overijssel en gerechtshof Den Haag de griffienota wel op naam van belanghebbenden zelf stellen.
3. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier de indiener van het beroepschrift griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘indiener’ niet nader is gedefinieerd in de wet. Verder overweegt de rechtbank dat in de wetsgeschiedenis geen nadere uitleg is gegeven wie als indiener moet worden aangemerkt. Verder acht de rechtbank van belang dat, gelet op de wetsgeschiedenis bij artikel 8:24, eerste lid, van de Awb beoogd is dat als een belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die gemachtigde in het vervolg van de procedure als partij wordt aangemerkt en de stukken aan de gemachtigde moeten worden verstuurd. Het is dan aan de gemachtigde om die stukken door te zenden aan de belanghebbende en hem of haar op de hoogte te stellen van het verdere verloop en de eventuele (financiële) gevolgen van de procedure. Omdat deze bepaling vrijwel overeenkomt met artikel 2:1 van Pro de Awb volgt daar, naar het oordeel van de rechtbank, ook uit dat ook in de fase van beroep het contact met de belanghebbende in beginsel verloopt via de gemachtigde. De rechtbank heeft geen aanwijzing dat, indien een belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde en die namens belanghebbende een beroepschrift indient, de belanghebbende toch zelf als ‘indiener’ moet worden aangemerkt.
4. De gemachtigde van opposante heeft het beroepschrift feitelijk ingediend namens opposante. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat, op grond van de wet, op de juiste wijze is gehandeld door de griffierechtnota op naam van gemachtigde van opposante te stellen en naar de gemachtigde van opposante te sturen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om haar werkwijze aan te passen op grond van het door opposante aangevoerde belang van opposante. De rechtbank zal schriftelijk nog een algemene reactie sturen op het verzoek van gemachtigde van opposante betreffende de tenaamstelling van de griffierechtnota en vermelding van het in geding zijnde object op de griffierechtnota. Dat bij rechtbank Zeeland-West-Brabant, rechtbank Noord-Nederland, rechtbank Amsterdam, rechtbank Overijssel en gerechtshof Den Haag de tenaamstelling van de griffierechtnota’s wellicht anders is geregeld, zoals opposante heeft aangevoerd en onderbouwd, geeft geen aanleiding voor een andere conclusie en leidt er evenmin toe dat deze rechtbank haar werkwijze zou moeten aanpassen.
5. De rechtbank merkt nog op dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geding nu in verzet uitsluitend de vraag aan de orde is of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard in verband met het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht. Aan een beoordeling van de stellingen van opposante met betrekking tot het onderliggende inhoudelijke geschil kan de rechtbank dan ook niet toekomen.
6. Het verzet is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van C. Immel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de belastingkamer van de Hoge Raad de Nederland.