Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen, aanleggen en gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan, inclusief het maken van een uitweg op een perceel in de gemeente Stichtse Vecht. Eiser, eigenaar van een aangrenzend perceel, stelde beroep in tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat de aanvraag onlosmakelijk samenhangende activiteiten had moeten omvatten en dat het plan in strijd zou zijn met de ruimtelijke ordening.
De rechtbank oordeelde dat eiser belanghebbende is omdat hij eigenaar is van een perceel dat direct gevolgen kan ondervinden van het plan. De rechtbank verwierp het argument dat de aanvraag onlosmakelijk samenhangende activiteiten had moeten omvatten, omdat de juridische samenhang ontbrak. Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder na afweging van de belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen, mede gelet op de ruimtelijke onderbouwing en adviezen over landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Ook het verplaatsen van de uitweg werd getoetst aan de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, waarbij de provincie positief adviseerde. De rechtbank vond dat verweerder de verkeersveiligheid voldoende had meegewogen en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van een onveilige situatie.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de omgevingsvergunning. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.