ECLI:NL:RBMNE:2019:3876
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen beëindiging WW-uitkering wegens vakantie zonder recht op behoud
Eiser ontving vanaf 1 november 2018 een WW-uitkering nadat zijn arbeidscontract niet werd verlengd. Hij ging van 2 tot en met 28 november 2018 op vakantie naar Thailand en meldde dit aan het UWV. Verweerder stelde dat eiser slechts recht had op drie vakantiedagen met behoud van uitkering, en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Eiser stelde dat een werkcoach van het UWV tijdens een gesprek had bevestigd dat hij op vakantie kon gaan met behoud van de WW-uitkering gedurende de gehele periode. Zijn moeder was bij het gesprek aanwezig en kon dit bevestigen. Verweerder betwistte dit en stelde dat de werkcoach niet bevoegd was om hierover te beslissen en dat eiser contact had moeten opnemen met de afdeling uitkeren.
De rechtbank oordeelde dat de werkcoach niet bevoegd was om over de uitkering tijdens vakantie te beslissen en dat eiser zelf onderzoek had moeten doen. Het feit dat eiser meerdere vakantiedagen had opgenomen dan toegestaan, werd ook als reden genoemd. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV om geen WW-uitkering te verlenen tijdens de vakantieperiode is ongegrond verklaard.