Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen
de Nederlandse Vereniging van Commerciële Radio, te Hilversum, eiseres
de Raad van bestuur van de Nederlandse Publieke Omroep, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
a. Onze Ministers;
b. de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie;
c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de onder a en b genoemde organen werkzaam zijn;
d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.
Als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman onderscheidenlijk artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet openbaarheid van bestuur, zijn uitgezonderd:
a. de Nederlandse Omroep Stichting, genoemd in artikel 16 van Pro de Mediawet, voor zover belast met andere werkzaamheden dan welke voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met de coördinatie van de programma's van de instellingen die zendtijd hebben gekregen voor landelijke omroep, onderscheidenlijk met het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor de landelijke omroep; (…).
De coördinatie van het verwerven, beheren en gebruiken van rechten op media-aanbod is op grond van de Mediawet een wettelijke taak, waarmee verweerder openbaar gezag uitoefent. Hieronder valt het sluiten van overeenkomsten met collectieve beheersorganisaties. Bij het aangaan van deze overeenkomsten handelt verweerder dus als bestuursorgaan en zodoende vallen de gevraagde documenten onder het bereik van de Wob.
Ook onder de oude Mediawet was dat niet het geval.
Eiseres is een zogenaamd b-orgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat zij slechts kwalificeert als bestuursorgaan voor zover zij met enig openbaar gezag is bekleed. Uit artikel 1a, eerste lid, aanhef, van de Wob volgt dat zij slechts in zoverre onder het bereik van de Wob valt. Artikel 1a, eerste lid, onder d, van de Wob biedt vervolgens de mogelijkheid om b-bestuursorganen bij algemene maatregel van bestuur van de Wob uit te zonderen.
Als eiseres zou worden gevolgd in haar betoog, zou de bepaling in het Besluit geen betekenis meer hebben. In het Besluit zijn de werkzaamheden van verweerder als bestuursorgaan slechts onder de reikwijdte van de Wob gebracht voor zover die te maken hebben met programmacoördinatie en zendtijdindeling. Andere werkzaamheden vallen dus niet onder de Wob, ongeacht de vraag of verweerder deze als bestuursorgaan uitoefent of niet. Het antwoord op de vraag of verweerder wel of niet de rechtspositie van de omroepen bepaalt en daarmee openbaar gezag uitoefent, is dan ook niet relevant. Eiseres heeft gesteld dat de wetgever is vergeten het Besluit aan te passen ten tijde van de actualisering van de Mediawet en dat de bedoeling is geweest om alle werkzaamheden van eiseres die zij uitvoert als bestuursorgaan onder het bereik van de Wob te brengen. Eiseres stelt dit, maar heeft hiervoor geen enkel concreet aanknopingspunt aangedragen. In de wetsgeschiedenis noch in de rechtspraak zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verweerder coördineert wellicht de financiële afrekening aan Buma en Stemra en Sena, maar dat is geen programmacoördinatie, omdat dat laatste gaat over de programmering van alle netten, zenders en online kanalen. De beroepsgrond slaagt niet.