Verzoeker, een 50-jarige man met een problematische schuldensituatie en onder beschermingsbewind, diende een verzoek in tot toepassing van een dwangakkoord op grond van artikel 287a van de Faillissementswet. Hij bood een schuldregeling aan waarbij gedurende 36 maanden een afloscapaciteit wordt gereserveerd, resulterend in een uitkering van 44,02% aan schuldeisers.
Alle schuldeisers behalve één, verweerster, gingen akkoord met de regeling. Verweerster had een vordering van €6.291,58, bestaande uit onbetaalde alimentatie, en weigerde instemming omdat het aangeboden percentage haar te laag leek. De rechtbank beoordeelde de redelijkheid van deze weigering door het belang van verweerster af te wegen tegen dat van verzoeker en de overige schuldeisers.
De rechtbank concludeerde dat het aanbod financieel maximaal haalbaar is gezien het vaste inkomen van verzoeker en zijn beschermingsbewind. Tevens zijn aanvullende afspraken gemaakt waarbij verweerster na afloop van de minnelijke regeling het recht krijgt de overeenkomst te ontbinden en het volledige bedrag op te eisen, waarbij verzoeker in totaal 60% van de vordering zal betalen.
Gezien deze vooruitzichten achtte de rechtbank de weigering van verweerster niet redelijk en wees het verzoek tot dwangakkoord toe. Hierdoor kwam het verzoek tot toelating tot de Wsnp niet meer aan de orde.