ECLI:NL:RBMNE:2019:3990

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 augustus 2019
Publicatiedatum
29 augustus 2019
Zaaknummer
C/16/478324 / FT RK 19/540
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord bij problematische schuldensituatie met aanvullende betalingsafspraken

Verzoeker, een 50-jarige man met een problematische schuldensituatie en onder beschermingsbewind, diende een verzoek in tot toepassing van een dwangakkoord op grond van artikel 287a van de Faillissementswet. Hij bood een schuldregeling aan waarbij gedurende 36 maanden een afloscapaciteit wordt gereserveerd, resulterend in een uitkering van 44,02% aan schuldeisers.

Alle schuldeisers behalve één, verweerster, gingen akkoord met de regeling. Verweerster had een vordering van €6.291,58, bestaande uit onbetaalde alimentatie, en weigerde instemming omdat het aangeboden percentage haar te laag leek. De rechtbank beoordeelde de redelijkheid van deze weigering door het belang van verweerster af te wegen tegen dat van verzoeker en de overige schuldeisers.

De rechtbank concludeerde dat het aanbod financieel maximaal haalbaar is gezien het vaste inkomen van verzoeker en zijn beschermingsbewind. Tevens zijn aanvullende afspraken gemaakt waarbij verweerster na afloop van de minnelijke regeling het recht krijgt de overeenkomst te ontbinden en het volledige bedrag op te eisen, waarbij verzoeker in totaal 60% van de vordering zal betalen.

Gezien deze vooruitzichten achtte de rechtbank de weigering van verweerster niet redelijk en wees het verzoek tot dwangakkoord toe. Hierdoor kwam het verzoek tot toelating tot de Wsnp niet meer aan de orde.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen en verweerster wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/478324 / FT RK 19/540
uitspraakdatum: 7 augustus 2019
uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (‘dwangakkoord’)
enkelvoudige kamer
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
tegen
[verweerster] ,
gemachtigde: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: [verweerster] .

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 2 april 2019 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna ook: Wsnp) een verzoek ingediend tot het uitspreken van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw, hierna: het verzoek.
1.2.
Op 24 juli 2019 is het verzoek ter zitting behandeld en hierbij zijn verschenen: [verzoeker] , mevrouw [A] , beschermingsbewindvoerder, de heer [B] , schuldhulpverlener, mevrouw [verweerster] samen met de heer [C] , weigerende schuldeiser.
1.3.
Het verzoek was aanvankelijk ook gericht tegen [bedrijfsnaam] B.V., maar deze schuldeiser ging voor de behandeling ter zitting akkoord met het voorstel.

2.De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
2.1.
[verzoeker] is een 50-jarige man. Hij woont samen. [verzoeker] heeft twee kinderen; één van hen is meerderjarig. Zijn kinderen wonen niet bij hem. [verzoeker] werkt fulltime en werkt regelmatig over. Sinds 25 mei 2015 staat het vermogen van [verzoeker] onder beschermingsbewind.
2.2.
De schuldenlast van [verzoeker] bestaat uit 5 concurrente vorderingen met een totale schuldhoogte van € 36.736,98.
2.3.
[verzoeker] heeft op 10 augustus 2018 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Deze regeling houdt in dat [verzoeker] gedurende 36 maanden zijn afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 44,02 % aan de schuldeisers. Het aanbod is gebaseerd op een prognose; er zal een hoger bedrag worden gereserveerd voor de crediteuren, op het moment dat het inkomen van [verzoeker] stijgt, dan wel zal er een lager bedrag worden gereserveerd als het inkomen daalt.
2.4.
De onder 2.3. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [verweerster] aanvaard. [verweerster] heeft een vordering van € 6.291,58 zijnde 17,12 % van de totale schuldenlast.

3.Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1.
[verzoeker] heeft in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht [verweerster] te bevelen in te stemmen met de onder 2.3 bedoelde schuldregeling.

4.De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [verweerster] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij dient tevens een vergelijking te worden gemaakt met de situatie dat [verzoeker] tot de Wsnp zal worden toegelaten.
4.2.
De rechtbank overweegt naar aanleiding van het verweer van [verweerster] dat iedere schuldeiser mag verlangen dat zijn of haar vordering 100% wordt voldaan.
Uit het verzoek van [verzoeker] blijkt echter dat hij niet meer in staat is al zijn schuldeisers binnen afzienbare termijn volledig te voldoen. Hij verkeert in een problematische schuldensituatie. Daarom ligt thans het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord voor, waarbij de hierboven geschetste belangenafweging gemaakt moet worden.
4.3.
Bij de beoordeling van de vraag of [verweerster] in redelijkheid tot haar weigering kon komen, moet gekeken worden naar de inhoud van het akkoord.
Aanvaarding van het akkoord heeft tot gevolg dat [verweerster] 44,02 % van haar vordering tegemoet kan zien. Dit moet in beginsel vergeleken worden met de situatie dat op [verzoeker] de Wsnp van toepassing wordt, zoals subsidiair verzocht. In dat geval is de afloscapaciteit op basis van het huidige inkomen gelijk, maar is het bedrag dat beschikbaar is voor de schuldeisers lager, vanwege de kosten (€ 3.858) die aan de Wsnp verbonden zijn.
4.4.
Gelet op het feit dat [verzoeker] reeds fulltime werkt en een vast dienstverband heeft, valt niet te verwachten dat zijn inkomen de komende jaren zal stijgen. De rechtbank stelt daarom vast dat het aanbod financieel gezien het maximaal haalbare is.
4.5.
[verweerster] heeft ter zitting verklaard dat zij bereid is een regeling te treffen, maar dat het huidige percentage te laag is. Daarbij speelt mee dat haar vordering bestaat uit door [verzoeker] onbetaald gelaten alimentatie. [verzoeker] heeft de hoogte van de alimentatie steeds aangevochten, maar ook na verlaging van zijn alimentatieverplichting heeft hij niet of nauwelijks betaald. [verweerster] stelt dat zij zelf ook schulden heeft, waaronder een gezamenlijke schuld aan Rabobank. [verweerster] zal een regresvordering op [verzoeker] krijgen, zodra zij deze schuld – waarvoor [verzoeker] nu een regeling treft – voldoet.
4.6.
Vanwege de aard van de vordering van [verweerster] en de afwikkeling van de schulden uit het huwelijk van [verzoeker] en [verweerster] , heeft de rechtbank deze partijen in de gelegenheid gesteld om tot nadere overeenstemming te komen over betalingsafspraken na de minnelijke regeling van [verzoeker] . [verzoeker] en [verweerster] zijn het volgende overeengekomen:
  • [verweerster] stemt in het prognosevoorstel van [verzoeker] , genoemd onder 2.3, met dien verstande [verzoeker] na de spaarperiode van 36 maanden, in maximaal
  • Dit betekent dat [verzoeker] in totaal € 3.774,95 (60% van € 6.291,58) aan [verweerster] betaalt.
  • [verweerster] ontvangt tijdens de minnelijke regeling een percentage van haar vordering dat gelijk is aan het percentage dat de overige concurrente crediteuren ontvangen.
  • Indien [verzoeker] de aanvulling op het aflossingsbedrag tot 60% niet binnen
24 maanden na afloop van de minnelijke regeling heeft voldaan, staat het [verweerster] vrij om deze overeenkomst te ontbinden en aanspraak te maken op het gehele bedrag.
- Het vermogen van [verzoeker] blijft onder beschermingsbewind totdat hij aan de regeling met [verweerster] heeft voldaan.
4.4.
Nu de vooruitzichten voor [verweerster] als schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat [verweerster] op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat [verweerster] geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl [verzoeker] en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling.
4.5.
Aangezien het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen, komt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

5.5. De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt [verweerster] in te stemmen met de onder 2.3 bedoelde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2019.