De zaak betreft een verzoek van [handelsnaam], een onderneming actief in de distributie van fitnessapparatuur, om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen tegen drie oud-werknemers, nu in dienst bij een concurrent, [bedrijfsnaam]. [handelsnaam] stelt dat deze oud-werknemers post-contractuele bedingen hebben overtreden en wil bewijs vergaren over hun activiteiten en die van [bedrijfsnaam].
De verweerders verzetten zich tegen het verzoek en stellen dat het verzoek onvoldoende onderbouwd is, geen belang heeft en neerkomt op een fishing expedition gericht op bedrijfsinformatie van [bedrijfsnaam]. De rechtbank overweegt dat het voorlopig getuigenverhoor bedoeld is om zekerheid te verkrijgen over relevante feiten voor een procedure, maar dat het verzoek hier vooral gericht is op het verkrijgen van informatie over de concurrent [bedrijfsnaam], waarvoor het verzoek ongeschikt is.
Daarnaast is de bodemprocedure tegen verweerders reeds aanhangig, waarin de vorderingen van [handelsnaam] zijn afgewezen. De rechtbank oordeelt dat er geen gerechtvaardigd belang is voor het voorlopig getuigenverhoor en dat het verzoek onvoldoende duidelijk maakt welke feiten nog onduidelijk zijn en hoe het getuigenverhoor daaraan bijdraagt.
Het verzoek wordt daarom afgewezen en [handelsnaam] wordt veroordeeld in de proceskosten van verweerders. De beslissing is genomen door kantonrechter J.J.M. de Laat en op 6 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.