Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2019:4351

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 augustus 2019
Publicatiedatum
18 september 2019
Zaaknummer
C/16/483676 / FO RK 19-1036
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot sterilisatie van zwakbegaafd minderjarig kind

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verlenen voor de sterilisatie van zijn 16-jarige zoon met een laag IQ en autistische kenmerken. De ouders waren gescheiden en woonden gescheiden; de moeder gaf geen toestemming voor de sterilisatie.

De rechtbank stelde vast dat de zoon wilsonbekwaam is om zelf te beslissen over de sterilisatie. Gezien het grote en ingrijpende karakter van de ingreep en de terughoudendheid die jurisprudentie voorschrijft bij medische beslissingen over minderjarige kinderen, wees de rechtbank het verzoek af. De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind voorop staat en dat de argumenten van de vader onvoldoende waren om van deze terughoudendheid af te wijken.

De rechtbank nam mee dat het niet vaststaat dat de zoon een gehandicapt kind zal krijgen, noch dat hij ongelukkig zal zijn als hij geen kinderen kan krijgen. Ook het risico op seksueel overschrijdend gedrag was geen reden voor sterilisatie, aangezien deze ingreep dat risico niet wegneemt. De belangen van derden, zoals de moeder van een toekomstig kind of de ouders zelf, wegen niet zwaarder dan het belang van het kind.

De rechtbank besloot ook de proceskosten te compenseren, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 16 augustus 2019 en kan door tussenkomst van een advocaat worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het verzoek tot vervangende toestemming voor sterilisatie van het minderjarige kind wordt afgewezen omdat het niet in zijn belang is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/483676 / FO RK 19-1036
Beschikking van 16 augustus 2019
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. K.R. Koopman,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. M.A.W. Graus.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vader, ingediend op 3 juli 2019, met productie 1 tot en met 9;
  • het F-formulier met bijlage van de vader, ingediend op 15 juli 2019;
  • het verweerschrift van de moeder, ingediend op 22 juli 2019;
  • de e-mail van de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, locatie [plaatsnaam] (hierna: de Raad) van 23 juli 2019.
1.2.
De zoon van partijen, [voornaam van minderjarige] , is door de rechtbank uitgenodigd om zijn mening te geven over het verzoek. Hij heeft op 15 juli 2019 met de kinderrechter gesproken.
1.3.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 juli 2019. Hierbij waren aanwezig: partijen met hun advocaten en mevrouw [A] , de begeleidster van de moeder.
1.4.
Tijdens de zitting heeft de vader zijn verzoek vermeerderd.

2.Waar gaat het om?

2.1.
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , is de zoon van partijen. Hij is 16 jaar. [voornaam van minderjarige] heeft een (zeer) laag IQ en autistische gedragskenmerken.
2.2.
De ouders van [voornaam van minderjarige] zijn gescheiden. [voornaam van minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
De vader wil dat [voornaam van minderjarige] gesteriliseerd wordt omdat hij wil voorkomen dat [voornaam van minderjarige] een meisje, gewild of ongewild, zwanger maakt. De moeder wil geen toestemming geven voor de sterilisatie van [voornaam van minderjarige] omdat zij sterilisatie niet noodzakelijk vindt en omdat zij [voornaam van minderjarige] hier te jong voor vindt.

3.De beoordeling

3.1.
De ouders zijn het erover eens dat [voornaam van minderjarige] wilsonbekwaam is om zelf een beslissing te nemen over de sterilisatie. Dit is ook vastgesteld door een Arts voor Verstandelijk Gehandicapten van [instelling 1] , mevrouw [B] . Omdat de ouders het niet eens zijn over de sterilisatie, zal de rechtbank op het verzoek van de vader een beslissing moeten nemen.
3.2.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om [voornaam van minderjarige] te laten steriliseren afwijzen, omdat zij sterilisatie niet in het belang van [voornaam van minderjarige] vindt. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3.3.
Uit de uitspraken van rechters in de afgelopen jaren (dit heet ‘jurisprudentie’) blijkt dat de rechtbank heel terughoudend moet zijn bij het nemen van medische beslissingen over kinderen. Dat betekent dat de rechtbank niet snel zal oordelen dat een medische beslissing in het belang van een kind is. Dit geldt in deze zaak al helemaal, omdat het gaat om een chirurgische ingreep, die grote gevolgen heeft. Als de rechtbank toestemming zou geven, zou zij bepalen dat [voornaam van minderjarige] geen kinderen meer kan krijgen. Dit is een belangrijke en vergaande beslissing, omdat de rechtbank dan feitelijk bepaalt of [voornaam van minderjarige] in de toekomst vader mag zijn of niet.
3.4.
Er zijn door de vader geen doorslaggevende argumenten naar voren gebracht om van deze terughoudendheid af te wijken. Het argument van de vader, dat een eventueel toekomstig kind niet in het belang van [voornaam van minderjarige] zou zijn, gaat niet op. Anders dan de vader stelt, staat niet vast dat [voornaam van minderjarige] een (meervoudig) gehandicapt kind krijgt. Daarnaast volgt weliswaar uit de brief van mevrouw [B] dat [voornaam van minderjarige] nu en in de toekomst niet zelf voor een kind kan zorgen, maar het is nu nog niet in te schatten hoe zijn eventuele toekomstige gezinssituatie zal zijn. Ook is het nog onduidelijk of de moeder van het kind (en haar netwerk) de zorg voor het kind al dan niet samen met [voornaam van minderjarige] zou kunnen dragen. Tot slot staat niet vast dat [voornaam van minderjarige] ongelukkig wordt als hij zelf niet voor zijn kind kan zorgen.
3.5.
De vader heeft er verder op gewezen dat [voornaam van minderjarige] seksueel overschrijdend gedrag vertoont. Het risico op seksueel overschrijdend gedrag kan op zichzelf geen argument zijn om [voornaam van minderjarige] te laten steriliseren. De sterilisatie neemt dat risico namelijk niet weg. De rechtbank vindt het goed dat [instelling 2] betrokken is om [voornaam van minderjarige] seksuele voorlichting te geven en hem hierin te begeleiden.
3.6.
Bij het nemen van een medische beslissing staat het belang van [voornaam van minderjarige] voorop. In uitzonderlijke situaties kan de rechtbank ook belangen van anderen meewegen. In dit geval zouden dat de belangen van het meisje dat zwanger wordt of de belangen van een toekomstig kind kunnen zijn of de belangen van de ouders. Deze belangen wegen volgens de rechtbank niet zwaarder dan het belang van [voornaam van minderjarige] . Deze belangen zijn namelijk moeilijk in te schatten, de rechtbank kan niet in de toekomst kijken, en kunnen niet zwaarder wegen dan de concrete belangen van [voornaam van minderjarige] . Het staat bijvoorbeeld niet vast dat de moeder van een toekomstig kind ongelukkig wordt van [voornaam van minderjarige] als vader van haar kind. Over de belangen van de ouders het volgende. De belangen van de vader zijn niet hetzelfde als die van de moeder. De belangen van vader zijn gebaseerd op diens inschatting van de toekomst. Zijn gevoelens, zoals verdriet, angst en schaamte, wegen niet zwaarder dan de belangen van [voornaam van minderjarige] .
Proceskosten
3.7.
De vader heeft de rechtbank tijdens de zitting ook (schriftelijk) verzocht om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Dit betekent dat hij wil dat de moeder de kosten die hij heeft gemaakt aan hem vergoedt. De rechtbank zal de proceskosten compenseren. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen proceskosten moet betalen. Dit is het uitgangspunt bij dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om daar in deze zaak van af te wijken.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Elferink (voorzitter), mr. P.W.G. de Beer, mr. V.E.J.A. Heijckmann, allen (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. M.N. Cheuk A Lam als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2019.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.