Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser, werkzaam als magazijnmedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte. Verweerder weigerde deze uitkering op grond dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser betwistte dit en stelde dat hij slechts 20 uur per week zou kunnen werken vanwege zijn klachten.
De rechtbank beoordeelde de medische rapporten van verzekeringsartsen die zorgvuldig en begrijpelijk waren opgesteld. Deze rapporten erkenden de klachten van eiser, maar concludeerden dat er geen medische grond was voor een urenbeperking. De arbeidsdeskundige stelde dat eiser geschikt was voor diverse functies, wat een arbeidsongeschiktheid van 24,98% opleverde.
De rechtbank vond geen aanleiding om de medische beoordeling te verwerpen of de arbeidskundige functies als ongeschikt te bestempelen. Ook ontbraken geobjectiveerde medische gegevens die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zouden ondersteunen. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.