ECLI:NL:RBMNE:2019:4439
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning met toepassing toestandsdatum en vergelijkingsmethode
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning uit 2012 gelegen op een perceel van 369 m2. Verweerder had de waarde voor belastingjaar 2018 vastgesteld op €548.000 en na bezwaar verlaagd naar €505.000. Eiser stelde een lagere waarde van €491.000 voor.
De rechtbank oordeelt dat de waardering moet plaatsvinden op basis van de toestandsdatum 1 januari 2018, conform artikel 18 lid 3 Wet Pro WOZ, waardoor de nieuwe stenen schuur moet worden meegenomen in de oppervlakte van 151 m2. Verweerder heeft de waarde vastgesteld met de vergelijkingsmethode, maar heeft onvoldoende inzicht gegeven in de waardebepalende verschillen tussen de woning en de referentiewoningen, waardoor de waarde niet aannemelijk is gemaakt.
Eiser heeft zijn voorgestelde waarde onderbouwd met de WOZ-waarde van een buurpand, maar dit is volgens de rechtbank onvoldoende omdat de Wet WOZ vereist dat elke waarde wordt bepaald op basis van verkoopwaarden rond de waardepeildatum. Gezien het geringe verschil tussen de waarden en het gebrek aan onderbouwing van verweerder, stelt de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €491.000.
De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, de aanslag onroerendezaakbelasting wordt dienovereenkomstig verminderd en verweerder wordt opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank stelt de WOZ-waarde van de woning vast op €491.000 en vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig.