De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van moeder over de minderjarige te beëindigen, omdat de relatie ernstig verstoord is en moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding kan hervatten. De minderjarige, bijna 18 jaar, heeft zelf ook verzocht het gezag te beëindigen en wil na haar meerderjarigheid naar Amerika vertrekken om bij familie te gaan wonen.
De rechtbank nam kennis van het rapport van de Raad, psychodiagnostisch onderzoek en de standpunten van moeder en de gecertificeerde instelling. Hoewel de relatie tussen moeder en minderjarige moeizaam is, is er recent contactherstel en verblijft de minderjarige tijdelijk bij haar oma. De moeder betwist dat zij niet capabel is en wijst op het feit dat haar andere kinderen weer thuis zijn geplaatst.
De rechtbank oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor beëindiging van het gezag, mede omdat de minderjarige bijna meerderjarig is en de onzekerheid over het opvoedingsperspectief daardoor zeer beperkt is. Verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is niet meer aan de orde. Het verzoek wordt daarom afgewezen, met de oproep tot verdere verbetering van het contact en behoud van familiebanden.