ECLI:NL:RBMNE:2019:4448
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning na beroep wegens onvoldoende onderbouwing waardebepalende verschillen
De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1909, gelegen aan een adres in een woonplaats, voor het belastingjaar 2018 met waardepeildatum 1 januari 2017. Verweerder had de waarde vastgesteld op €296.000 en deze later op bezwaar verlaagd naar €282.000. Eiseres stelde een lagere waarde voor, gebaseerd op een eerdere WOZ-waarde uit 2015 van €189.000.
De rechtbank beoordeelde of verweerder aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. Verweerder had drie referentiewoningen geselecteerd die qua ligging, bouwjaar, inhoud en perceeloppervlakte vergelijkbaar waren. Echter, verweerder gaf onvoldoende inzicht in de waardebepalende verschillen tussen de woning en de referentiewoningen, zoals het ontbreken van een serre, dakkapel, garage en de slechte staat van onderhoud van de woning.
Omdat verweerder niet aannemelijk maakte dat de waarde correct was vastgesteld en eiseres haar lagere waarde onvoldoende onderbouwde, stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €272.000. De aanslag onroerendezaakbelasting wordt dienovereenkomstig verminderd en het betaalde griffierecht van €46 wordt aan eiseres vergoed.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2019 door rechter R.C. Stijnen in aanwezigheid van griffier P.J. Naus.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €272.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting wordt verminderd.