ECLI:NL:RBMNE:2019:4607

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 oktober 2019
Publicatiedatum
3 oktober 2019
Zaaknummer
UTR 18/4439
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding voor medisch deskundige zonder BIG-registratie toegewezen

Verzoeker kreeg een Ziektewet-uitkering die door verweerder werd beëindigd, waarna bezwaar en beroep volgden. Na wijziging van het besluit door verweerder trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten, inclusief kosten van een medisch adviseur.

Verweerder stelde zich op het standpunt dat de kosten van de medisch adviseur niet vergoed hoefden te worden omdat deze niet meer in het BIG-register stond. De rechtbank oordeelde dat het Besluit proceskosten bestuursrecht niet vereist dat een deskundige in het BIG-register staat en dat ook niet-praktiserende artsen als deskundigen kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op €2.248,23, waarbij de kosten van de medisch adviseur werden gemaximeerd op het wettelijk maximumtarief. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €2.248,23 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/4439

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.M. van Miltenburg),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2018 heeft verweerder de uitkering die verzoeker kreeg op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 13 maart 2018.
Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en de ZW-uitkering beëindigd per 4 november 2018.
Verzoeker is tegen dit besluit in beroep gegaan. De zitting in dit beroep heeft plaats gevonden op 24 april 2019, waarna het onderzoek ter zitting is aangehouden.
Verweerder heeft bij besluit van 22 mei 2019 het besluit van 22 oktober 2018 gewijzigd en alsnog een ZW-uitkering aan verzoeker toegekend.
Verzoeker heeft het beroep op 4 juni 2019 ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in een proceskostenvergoeding, waaronder de kosten van de medisch adviseur.
Verweerder heeft bij brief van 19 juni 2019 aan de rechtbank laten weten zich te verzetten tegen een proceskostenveroordeling. Verzoeker heeft hier weer op gereageerd met een brief van 9 juli 2019.
Nadat geen van de partijen heeft aangegeven op een nadere zitting gehoord te willen worden, heeft de rechtbank het onderzoek op 4 september 2019 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
2. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en aangegeven dat hij een lager bedrag aan proceskosten aan verzoeker wil betalen. Volgens verweerder hoeft hij de kosten voor het medisch advies niet te vergoeden, omdat de door verzoeker ingeschakelde arts [A] niet (meer) geregistreerd staat in het BIG-register. Daarmee is [A] niet te kwalificeren als een deskundige zoals bedoeld in het Bpb.
3. De rechtbank geeft verweerder geen gelijk. Het is geen vereiste van het Bpb dat een deskundige, in dit geval een arts, geregistreerd moet zijn om als deskundige aangemerkt te kunnen worden. Het BIG-register is een register voor zorgverleners, maar ook niet-zorgverleners kunnen als deskundigen zoals bedoeld in het Bpb aangemerkt worden. Dat
[A] als niet praktiserend arts niet (meer) in het BIG-register staat, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij niet als deskundige aan te merken is. Verweerder zal de proceskosten van verzoeker dus moeten betalen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank er wel terecht op gewezen dat [A] een hoger uurtarief hanteert dan het maximumtarief zoals dat is vastgelegd in het Besluit tarieven in strafzaken 2003. De rechtbank zal bij de vaststelling van de kosten uitgaan van het maximumtarief zoals dat wettelijk is bepaald.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen op grond van het Bpb als volgt vast. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedragen € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Verzoeker heeft met facturen aangetoond dat de deskundige in totaal 480 minuten, dus 8 uur, heeft besteed aan zijn advies. In het Besluit tarieven in strafzaken 2003 is het uurtarief gemaximeerd op € 126,47. De rechtbank stelt de kosten voor de deskundige derhalve vast op € 1.224,23 (8 x € 126,47, verhoogd met 21% BTW). De rechtbank stelt het totaal aan proceskosten vast op € 2.248,23.
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen op grond van artikel 8:41 van Pro de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.248,23 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat verzoeker heeft betaald moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door R. in ’t Veld, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.