13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van strijd met de onschuldpresumptie geen sprake is. Hoewel er sprake moet zijn van een veroordeling, hoeft er geen sprake te zijn van een onherroepelijke veroordeling. Verweerder verwijst in dit verband naar de door eiser genoemde uitspraak van de ABRvS van 12 oktober 2016.
14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van strijd met de onschuldpresumptie geen sprake is. Uit de uitspraak van de ABRvS 12 oktober 2016 volgt dat in het geval een weigering direct gebaseerd is op het gepleegd zijn van strafbare feiten, de onschuldpresumptie vergt dat daaromtrent strafrechtelijke veroordelingen zijn uitgesproken. De ABRvS heeft verder geoordeeld dat het voor het toepassen van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb, evenwel niet noodzakelijk is dat sprake is van strafrechtelijke veroordelingen die onherroepelijk zijn. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding daar in eisers geval anders over te oordelen. De verwijzing van eiser naar het arrest Minelli tegen Zwitserland leidt niet tot een andere conclusie. Uit dit arrest kan niet worden afgeleid dat in een situatie als de hier voorliggende, ter voorkoming van strijd met de onschuldpresumptie sprake moet zijn van onherroepelijke veroordeling. De beroepsgrond slaagt niet.
15. Eiser voert aan dat de gevolgen van het besluit tot weigering niet evenredig zijn tot de met het besluit te dienen doelen. Een belangrijk deel van zijn adviespraktijk bestaat uit het doen van belastingaangiftes. Door de weigering is hij niet meer in staat die werkzaamheden uit te voeren. Hij heeft daardoor geen inkomen en daarnaast leidt het besluit tot reputatieschade. Ook wijst eiser nogmaals op de omstandigheid dat hij zijn leven heeft gebeterd.
16. Verweerder vindt de maatregel om eiser als gemachtigde te weigeren, gelet op de aard en ernst van de door eiser gepleegde fiscale delicten, op zijn plaats. Het vertrouwen van verweerder in eiser is hierdoor ernstig geschaad. Verder wijst verweerder erop dat eiser door de maatregel niet geheel van zijn broodwinning is beroofd. De maatregel houdt namelijk geen beroepsverbod in. De meeste taken, zoals die van adviserende aard, kan hij nog verrichten. Het is eiser uitsluitend verboden om in het contact met verweerder als gemachtigde op te treden. In dit kader merkt verweerder op dat bekend is dat eiser onder meer als extern adviseur is verbonden aan [naam] B.V. te [vestigingsplaats] . Deze werkzaamheden, die eiser mogelijk voor meer kantoren verricht, worden door een weigering niet onmogelijk gemaakt. Verder vindt verweerder van belang dat de weigering mede is ingegeven ter bescherming van de belangen van belastingplichtigen. Dit algemene belang dient te prevaleren boven het individuele belang van eiser om zijn werkzaamheden als gemachtigde te kunnen voortzetten. Ter zitting heeft verweerder nog gereageerd op eisers stelling dat hij zijn leven heeft gebeterd. Volgens verweerder is er gekeken naar het correctiepercentage in de aangiftes die eiser namens zijn cliënten heeft gedaan vanaf belastingjaar 2013 tot en met belastingjaar 2017. Waar in 2013 sprake was van een correctiepercentage van 51% en het jaar daarna 24%, was er in 2017 nog altijd sprake van een correctiepercentage van 9%. Van iemand die stelt dat sprake is van gedragsverbetering verwacht verweerder dat er nog hooguit sprake is van een klein foutje. Met een percentage van 9% kan daar niet van worden gesproken.
17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder alle relevante omstandigheden in zijn besluit tot weigering van eiser als gemachtigde heeft betrokken en op basis daarvan in redelijkheid tot weigering heeft mogen overgaan. Verweerder heeft groter gewicht mogen toekennen aan de bescherming van de belangen van de belastingplichtigen dan aan eisers individuele belang. Daarbij vindt de voorzieningenrechter ook van belang dat eiser weliswaar heeft gesteld dat zijn praktijk voor een groot gedeelte bestaat uit het doen van belastingaangiften, maar dat hij zijn stelling niet heeft onderbouwd. Eiser heeft geen inzicht verschaft in zijn praktijk als belastingadviseur, terwijl verweerder erop heeft gewezen dat eiser ook werkzaamheden heeft verricht als extern adviseur. Verder heeft verweerder, in reactie op eisers stelling in beroep, mogen concluderen dat eiser niet heeft onderbouwd waaruit blijkt dat hij zijn gedrag als gemachtigde heeft gebeterd en dat weliswaar sprake lijkt te zijn van een positieve ontwikkeling in het percentage correcties dat wordt gedaan op eisers aangiften, maar dat dit onvoldoende gewicht in de schaal legt om van weigering als gemachtigde af te zien. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Het beroep is ongegrond.
19. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
20. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder gelet op overweging 5 in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-, en een wegingsfactor 1).
21. De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aan eiser vergoedt.