ECLI:NL:RBMNE:2019:4879

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 september 2019
Publicatiedatum
22 oktober 2019
Zaaknummer
UTR 19/1711
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 AwbWet openbaarheid van bestuur
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing Wob-verzoek inzake jaarrekeningen beheergroep Stadstuin

Eiser verzocht de gemeente Amersfoort om toezending van de jaarrekeningen van de beheergroep Stadstuin over de eerste vijf jaren. Dit verzoek werd afgewezen omdat de gemeente de gevraagde stukken niet in bezit had. Eiser maakte niet aannemelijk dat de stukken toch aanwezig waren of dat de gemeente deze op grond van een verplichting in bezit zou moeten hebben.

De rechtbank beperkte haar oordeel tot het Wob-verzoek en ging niet in op de handhavingsverzoeken die eiser eveneens had ingediend. Verweerder heeft toegelicht welke zoekinspanningen zijn verricht om de stukken te vinden. De rechtbank achtte deze toelichting betrouwbaar en zag geen reden om te twijfelen aan de juistheid daarvan.

Eiser betwistte ook de rechtmatigheid van het bestreden besluit vanwege vermeende onjuiste ondertekening en het ontbreken van een verslag van de hoorzitting. Deze bezwaren werden ter zitting opgehelderd of ingetrokken, en de rechtbank vond geen aanleiding om het besluit onrechtmatig te achten.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 september 2019.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het Wob-verzoek is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/1711

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

10 september 2019 in de zaak tussen

ing. [eiser] , te [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigde: H.J.M. van Gellekom).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om toezending van de jaarrekeningen van de beheergroep Stadstuin over de eerste vijf jaren afgewezen.
Bij besluit van 8 maart 2019, verzonden op 15 maart 2019, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 maart 2019, bekendgemaakt op 15 maart 2019, dat gaat over de afhandeling van het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedaan in eisers brief van 1 november 2018. In laatstgenoemde brief heeft eiser naast een Wob-verzoek ook verzoeken om handhaving gedaan. Daarop is door verweerder gereageerd in een andere brief van 15 maart 2019. Verweerder heeft dus als het ware de brief van eiser opgeknipt in een Wob-verzoek en handhavingsverzoeken. In onderhavige zaak ligt het beroep tegen de beslissing op bezwaar over het Wob-verzoek voor. Naar het oordeel van de rechtbank is de omvang van het geding daar samen met wat over dat besluit naar voren is gebracht (de beroepsgronden) toe beperkt. Dit betekent dat de rechtbank niet gaat oordelen over wat naar voren is gebracht over het niet (juist) handelen door verweerder in reactie op de handhavingsverzoeken.
3. Ter zitting is over de gronden van het beroep gesproken. Voor eiser is de kern dat hij niet gelooft dat verweerder de gevraagde stukken, jaarrekeningen van de beheergroep Stadstuin, niet boven tafel heeft kunnen krijgen.
4. De rechtbank stelt vast dat hier het wettelijk kader van de Wob bepalend is. Uit de Wob volgt onder meer dat om openbaarmaking van stukken kan worden gevraagd voor zover het stukken betreft die bij verweerder in bezit zijn of waarover verweerder vanuit een verplichting in bezit van zou moeten zijn. Verweerder heeft in de besluitvorming toegelicht dat is gezocht naar de aanwezigheid van de gevraagde jaarrekeningen, dat deze niet in het bezit zijn en waarom deze niet in het bezit zijn van verweerder. Ter zitting heeft verweerder de zoektocht nader toegelicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de weergave en mededelingen van verweerder. Eiser heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat er aanleiding bestaat aan te nemen dat die stukken toch bij verweerder in bezit zijn of zouden moeten zijn. Dit ligt op de weg van eiser. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2010 [1] ). Tot slot overweegt de rechtbank dat uit de Wob geen verplichting volgt voor verweerder om zich in een dergelijk geval in te spannen alsnog de gevraagde stukken te verkrijgen van derden.
5. Verder heeft eiser in de gronden van beroep de rechtmatigheid van het bestreden besluit betwist omdat geen sprake zou zijn van een juiste ondertekening van het bestreden besluit en omdat het verslag van de hoorzitting niet is bijgevoegd.
6. Het punt van de ondertekening van het bestreden besluit is ter zitting opgehelderd, de beroepsgrond hierover is door eiser ingetrokken en wordt dan ook onbesproken gelaten. In het punt over het ontbreken van het verslag van de hoorzitting ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is. In het bestreden besluit is een korte weergave opgenomen van wat er tijdens de hoorzitting aan de orde is geweest. Eiser heeft geen onderbouwing gegeven waarom dat niet in overeenstemming met artikel 7:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zou zijn. Daarin is geen verplichting opgenomen voor het bestuursorgaan om een los verslag op te stellen.
7. Het beroep is ongegrond. Zoals overwogen wordt aan hetgeen is aangevoerd over de handhavingsverzoeken niet toegekomen. Omdat het beroep ongegrond is bestaat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 september 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RVS:2010:BN5699, te raadplegen via www.rechtspraak.nl.