De rechtbank Midden-Nederland behandelde een geschil tussen ex-partners over de vaststelling van partneralimentatie na hun echtscheiding. De man verzocht om een alimentatie van € 5.565,83 per maand, terwijl de vrouw dit verzoek afwees. De rechtbank baseerde haar oordeel op een berekening van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk, waarbij zij uitging van een gemiddeld inkomen van de vrouw over de jaren 2015 tot en met 2017, exclusief eenmalige dividenduitkeringen.
De rechtbank hanteerde de Hof-norm voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte en kwam tot een netto gezinsinkomen van € 7.892,- per maand. Na aftrek van de kosten voor de kinderen resteerde een bedrag waarvan 60% werd vastgesteld als de behoefte van de man, geïndexeerd naar 2019. De aanvullende behoefte van de man werd vastgesteld op € 1.103,- netto per maand, rekening houdend met zijn huidige inkomen en beperkingen in arbeidsmogelijkheden.
De draagkracht van de vrouw werd berekend op basis van haar bruto jaarinkomen en een redelijke dividenduitkering van € 40.000,- per jaar, waarbij de rechtbank concludeerde dat deze dividenduitkering mogelijk is zonder de continuïteit van haar onderneming in gevaar te brengen. Na aftrek van haar lasten en kosten voor de kinderen werd de draagkracht vastgesteld op € 2.045,- bruto per maand, wat net voldoende was om in de behoefte van de man te voorzien.
De rechtbank veroordeelde de vrouw tot het betalen van € 2.044,- bruto per maand aan partneralimentatie, met ingang van de dag na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan door tussenkomst van een advocaat in hoger beroep worden aangevochten.