ECLI:NL:RBMNE:2019:4908
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitdelingslijst faillissement wegens ongerechtvaardigde verrijking boedel
In het faillissement van bedrijfsnaam 1 B.V. is verzoekster in verzet gekomen tegen de tussentijdse uitdelingslijst, omdat zij stelt dat haar vordering als boedelschuld moet worden aangemerkt. De vordering is ontstaan doordat verzoekster een bankgarantie stelde ten behoeve van bedrijfsnaam 1 ten gunste van bedrijfsnaam 2, die de bankgarantie onterecht heeft getrokken en aan de boedel heeft betaald.
De curator betwist dat sprake is van een boedelschuld en stelt dat de vordering een concurrente vordering betreft, waarbij het arbitrale vonnis de betaling aan de boedel rechtvaardigt. De rechtbank oordeelt dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzet en dat de vordering geen boedelvordering is op grond van de wet, maar dat de curator wel nalatig is geweest door het bedrag van de bankgarantie niet aan verzoekster terug te betalen.
De rechtbank stelt vast dat het arbitrale vonnis is gebaseerd op een onjuist uitgangspunt, omdat de Raad van Arbitrage niet op de hoogte was dat de bankgarantie door verzoekster en niet door bedrijfsnaam 1 was gesteld. Hierdoor is sprake van ongerechtvaardigde verrijking van de boedel. De vordering van verzoekster dient daarom als boedelschuld te worden aangemerkt en de uitdelingslijst moet worden aangepast.
Uitkomst: De vordering van verzoekster wordt als boedelschuld aangemerkt en de uitdelingslijst wordt aangepast.