De huurder heeft een appartement gehuurd met een schriftelijk huurcontract waarin een opzegtermijn van drie maanden is opgenomen. De huurder zegde de huur op met een opzegtermijn van één maand en vertrok per 30 juni 2017. De verhuurder hield de borg in omdat hij meende dat de huurder ook de huur over juli en augustus verschuldigd was.
De kantonrechter stelde vast dat de huur feitelijk per maand werd betaald, ondanks de contractuele bepaling van betaling per drie maanden vooruit. De opzegtermijn moet gelijk zijn aan de betaaltermijn en mag niet in strijd zijn met dwingend recht. De bepaling van drie maanden opzegtermijn is daarom vernietigbaar.
De huurder heeft de juiste opzegtermijn in acht genomen en is geen huur verschuldigd over juli en augustus 2017. De borg moet aan haar worden terugbetaald met wettelijke rente. De tegenvordering van de verhuurder wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.