De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 24 oktober 2019 het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn driejarige kind. Eerdere beschikkingen waren reeds gewezen in 2017 en 2019. De moeder was telefonisch afwezig tijdens de zitting, terwijl de vader, zijn advocaat en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig waren.
De rechtbank wees het verzoek af omdat er al ruim twee jaar geen contact was tussen de vader en het kind en er sprake was van diepgaand wantrouwen tussen de ouders. Dit bemoeilijkte het maken van afspraken over omgang. De Raad adviseerde eerst een ondertoezichtstelling om statusvoorlichting te geven aan het kind over zijn vader, passend bij zijn leeftijd.
De rechtbank onderschreef dit advies en benadrukte dat de draagkracht van de moeder beperkt is vanwege de zorg voor een ander kind met een beperkte levensverwachting. De zaak kon niet langer zonder uitzicht op een eindbeslissing voortduren. Binnen de ondertoezichtstelling kan worden onderzocht hoe contactherstel mogelijk is en op welke wijze dat vorm kan krijgen.