Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2019 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat in de Wko niet is bepaald wat precies wordt verstaan onder een ‘traject gericht op arbeidsinschakeling’. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat in het geval van eiseres alleen sprake kan zijn van een re-integratietraject als dit via het UWV loopt. Artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wko valt namelijk uiteen in twee delen. Het eerste deel heeft inderdaad betrekking op het volgen van een opleiding/scholing of het verrichten van werkzaamheden in opdracht van het UWV. Maar verweerder miskent met zijn stelling dat met het tweede deel van het artikel ook op een andere wijze – dan via het UWV – kan worden deelgenomen aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. Een taalkundige beoordeling van dit deel van het artikel leidt niet tot de conclusie dat het noodzakelijk is dat het UWV of een andere instantie bij de re-integratie betrokken moet zijn. Dat de wetgever het wél zo bedoeld heeft, blijkt ook niet uit de wetsgeschiedenis van artikel 1.6 van de Wko.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende heeft aangetoond dat zij aan een traject heeft deelgenomen gericht op arbeidsinschakeling. Wat eiseres in het werkplan aan verrichtte activiteiten heeft opgesomd, wordt ondersteund door de bijlagen. Hieruit blijkt dat zij activiteiten heeft verricht. Dat zij dit werkplan zelf heeft opgesteld en heeft uitgevoerd, maakt niet dat het geen traject is, gericht op arbeidsinschakeling. Daarvoor is ook van belang dat verweerder op de zitting niet heeft kunnen uitleggen hoe hij trajecten die níet via het UWV worden doorlopen beoordeelt of laat beoordelen. Daarvoor heeft verweerder geen vaste handelwijze of beleid. Dat verweerder stelt dat gelet op de periode van oktober 2016 tot september 2018 te weinig activiteiten zijn ondernomen om te spreken van een traject, is zonder nadere motivering in dit geval volstrekt onvoldoende. Zo heeft verweerder daarbij geen rekening gehouden met het feit dat eiseres deels arbeidsongeschikt is en niet volledig inzetbaar is. Eiseres werkte bij haar vorige werkgever negen uur per week, wat minder is dan de uren die eiseres naar eigen zeggen heeft besteed aan re-integratie. Aangezien de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan het overzicht van door eiseres verrichtte activiteiten – en verweerder die ook niet betwist – is de rechtbank van oordeel dat zij op andere wijze heeft deelgenomen aan een traject gericht op arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wko. De beroepsgrond slaagt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;