ECLI:NL:RBMNE:2019:5125

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 oktober 2019
Publicatiedatum
4 november 2019
Zaaknummer
C/16/485596 / FO RK 19-1190
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253q BWArt. 1:253r lid 2 BWArt. 1:253r lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek beëindiging gezamenlijk gezag en eenhoofdig gezag toe te wijzen aan vader

De man verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kinderen te beëindigen en het eenhoofdig gezag aan hem toe te wijzen. De moeder is sinds mei 2018 vertrokken naar Irak en heeft nauwelijks contact met de kinderen. De man ervaart problemen doordat hij voor belangrijke beslissingen toestemming van de moeder nodig heeft, terwijl hij geen contact met haar kan krijgen.

De rechtbank constateert dat de moeder niet juist is opgeroepen voor de zitting van 3 oktober 2019, omdat de vereiste oproepingstermijn van drie maanden niet is gehanteerd. Daarom wordt de behandeling aangehouden en een nieuwe zitting gepland op 10 januari 2020, zodat de moeder correct kan worden opgeroepen.

De rechtbank stelt vast dat het gezag van de moeder van rechtswege is geschorst vanwege haar onbekende verblijfplaats. Dit betekent dat de vader momenteel het gezag alleen uitoefent. De rechtbank geeft een verklaring voor recht dat het gezag van de moeder is geschorst en verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De beslissing over het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt aangehouden tot de nieuwe zitting. De moeder kan tegen de beschikking hoger beroep instellen binnen drie maanden na de uitspraak of betekening.

Uitkomst: De beslissing over het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt aangehouden wegens onjuiste oproeping van de moeder; het gezag van de moeder is van rechtswege geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/485596 / FO RK 19-1190 (gezag)
Beschikking van 31 oktober 2019
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente Montfoort,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.C. de Jong,
tegen
[de vrouw] ,
wonende in Irak ,
hierna te noemen de vrouw.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 5 augustus 2019 het verzoekschrift van de man ontvangen.
1.2.
Daarna heeft de man per F-formulier van 4 september 2019 en 26 september 2019 nog bijlagen ingediend.
1.3.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 oktober 2019. Daar waren aanwezig: de man met zijn advocaat en de heer [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De vrouw is niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van
[..] 2018 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [echtscheidingsdatum] 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats 1] , Syrië,
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 2] , Syrië.
2.3.
Partijen hebben samen het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de man.
2.4.
De vrouw is in mei 2018 vertrokken naar Irak.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen te beëindigen en aan hem het eenhoofdig gezag over de kinderen toe te wijzen.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de man - kort samengevat - aan dat de vrouw sinds haar vertrek naar Irak in mei 2018 bijna geen contact meer heeft met de kinderen. Zij hebben slechts één keer in de 3 à 4 maanden heel kort contact via skype. Tussen de ouders onderling is helemaal geen contact meer. De man weet niet waar in Irak de vrouw verblijft en hij heeft geen manieren om contact met haar te krijgen. De man loopt er in de dagelijkse zorg voor de kinderen tegenaan dat hij voor zaken toestemming van de vrouw nodig heeft. Zo was er voor [voornaam van minderjarige 2] een onderzoek nodig vanuit de specialistische GGZ, maar de behandelaar wilde niet aanvangen met het onderzoek voordat beide ouders daarvoor hadden getekend. De man heeft toen een kort geding procedure moeten starten voor vervangende toestemming. De man is van mening dat beëindiging van het gezamenlijk gezag noodzakelijk is, omdat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders, of omdat het anderszins in hun belang noodzakelijk is. Het valt niet te verwachten dat in deze situatie binnen afzienbare tijd verbetering komt, omdat de vrouw niet voornemens lijkt om terug te komen naar Nederland. Zij heeft haar verblijfstatus in Nederland verloren en de man heeft gehoord dat zij hertrouwd zou zijn in Irak.

4.Beoordeling van het verzoek

Oproep van de vrouw
4.1.
De rechtbank constateert dat de vrouw door de rechtbank openbaar is opgeroepen voor de zitting van 3 oktober 2019. De oproep is in de Staatscourant gepubliceerd op 16 september 2019. Volgens het procesreglement dient bij het bepalen van de zittingsdatum te worden uitgegaan van een oproepingstermijn van tenminste drie maanden indien (één van) partijen in het buitenland woont, te rekenen vanaf de binnenkomst van het verzoek. Deze oproepingstermijn is niet in acht genomen. De rechter heeft dit op de zitting met de man en zijn advocaat besproken. De man wist niet of de vrouw op de hoogte was van de zitting, omdat hij geen contact heeft met de vrouw.
4.2.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de vrouw niet goed is opgeroepen, omdat er geen oproepingstermijn van drie maanden is gehanteerd. De rechtbank houdt daarom de behandeling van het verzoek aan en bepaalt een nieuwe zitting op 10 januari 2020 om 10:30 uur, zodat de vrouw voor deze tweede zitting juist kan worden opgeroepen. Zoals op de zitting van 3 oktober 2019 met de man is besproken, is het niet nodig dat de man op de zitting van 10 januari 2020 verschijnt, omdat de man op 3 oktober 2019 een toelichting op zijn verzoek heeft gegeven en vragen van de rechter heeft beantwoord.
Van rechtswege geschorst in het gezag
4.3.
De rechtbank stelt vast dat op grond van de wet het gezag van een ouder van rechtswege geschorst wordt gedurende de tijd dat de verblijfplaats van deze ouder onbekend is. [1]
4.4.
Door de man is gesteld dat hij niet weet waar in Irak de vrouw verblijft, en dat het voor hem onmogelijk is om contact met haar te krijgen. Omdat de verblijfplaats van de vrouw onbekend is, is het gezag van de vrouw over de beide minderjarigen dus van rechtswege geschorst. Dit betekent dat de man op dit moment van rechtswege alleen het gezag uitoefent. Nu de man kennelijk desondanks problemen ondervindt in de zorg voor de kinderen, doordat er toch om toestemming van de vrouw wordt gevraagd, zal de rechtbank een verklaring voor recht geven dat de vrouw in haar gezag is geschorst.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1.
houdt de beslissing op het verzoek over het gezag aan tot 10 januari 2020 gelet op de overweging onder 4.2.;
5.2.
verklaart voor recht dat het gezag van de vrouw over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats 1] , Syrië, en
[minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 2] , Syrië, is geschorst en dat de man alleen het gezag uitoefent over deze minderjarigen;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Vaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:253q juncto 1:253r lid 2 juncto lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.