Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Dhr. [gedaagde sub 1] ,
Mw. [gedaagde sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
“volgende, gecumuleerde, onderhoudsgebrek”:
Rechtbank Midden-Nederland
De huurder verzocht de huurcommissie om tijdelijke huurprijsverlaging vanwege meerdere onderhoudsgebreken die het woongenot ernstig verstoren. De huurcommissie stelde een huurprijsverlaging van 40% vast vanaf 1 januari 2018. Verhuurster maakte bezwaar en vorderde bij de kantonrechter dat de uitspraak van de huurcommissie geen deel uitmaakt van de huurovereenkomst en dat er geen sprake is van gebreken die huurprijsvermindering rechtvaardigen.
De kantonrechter oordeelde dat de uitspraak van de huurcommissie vervalt door het tijdig instellen van de vordering en dat de kantonrechter vrij is in zijn waardering van de feiten. Uit onderzoek en rapporten bleek dat er diverse onderhoudsgebreken aanwezig zijn, waaronder houtrot, slechte staat van schilderwerk en lekkende dakgoten, die samen het huurgenot substantieel verminderen.
De kantonrechter wees de verhuurster's betoog af dat de gebreken niet ernstig genoeg zijn en stelde de huurprijsvermindering vast op 30% vanaf 1 januari 2018. De verhuurster werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt dat de kantonrechter niet gebonden is aan de termijn van zes maanden uit artikel 7:257 BW Pro bij een procedure na een uitspraak van de huurcommissie.
Uitkomst: Huurprijsvermindering van 30% vastgesteld vanaf 1 januari 2018 wegens substantiële onderhoudsgebreken.