ECLI:NL:RBMNE:2019:5232

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 november 2019
Publicatiedatum
11 november 2019
Zaaknummer
UTR 19/726
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wet WOZ
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen WOZ-waardering villa in Utrecht

Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn villa in Utrecht, welke is vastgesteld op € 2.555.000 voor het belastingjaar 2018 met waardepeildatum 1 januari 2017. Eiser stelt een lagere waarde van € 2.200.000 voor en voert aan dat de gebruikte vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar zijn en dat waardedrukkende factoren onvoldoende zijn meegewogen.

Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatierapport en een taxatiematrix, waarbij vier vergelijkbare villa's in Utrecht rond dezelfde bouwperiode en wijk als referentie zijn gebruikt. De rechtbank oordeelt dat deze vergelijkingsobjecten passend zijn en dat de villa die eiser aandraagt niet als referentie kan dienen vanwege de verkoopdatum die te ver van de waardepeildatum ligt.

Daarnaast heeft verweerder rekening gehouden met waardedrukkende factoren zoals wildgroei en een oude fundering door een correctie van € 75.000 toe te passen, hetgeen door eiser niet is betwist. De rechtbank wijst ook het argument af dat de waardestijging niet in lijn zou zijn met voorgaande jaren, omdat de WOZ-waarde telkens opnieuw wordt bepaald op basis van actuele vergelijkingsobjecten.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardering van € 2.555.000 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/726

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.H. Dorenbos),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigde: R.C.P. Buijsrogge).

Procesverloop

Met de beschikking van 31 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet Woz) de waarde van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2018 vastgesteld op € 2.659.000,--, naar de waardepeildatum 1 januari 2017. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsgrondslag is gehanteerd.
Met de beschikking van 22 februari 2018 heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd door de waarde van de woning te verlagen naar € 2.555.000,--.
Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt, omdat hij een lagere waarde voorstaat.
In de uitspraak op bezwaar van 11 januari 2019 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De woning is een villa in [woonplaats] uit 1904 met een woninginhoud van 1886 m3. De woning staat op een perceel van 3365 m2. In geschil is de waarde van de woning. Verweerder heeft de waarde vastgesteld op € 2.555.000,--. Eiser staat een lagere waarde van € 2.200.000,-- voor.
2. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van eisers woning niet te hoog heeft vastgesteld. Om de waarde te onderbouwen heeft verweerder een taxatierapport en een taxatiematrix overgelegd. Hierin heeft verweerder de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van vergelijking met vier andere villa’s in [woonplaats] (vergelijkingsobjecten) die op of rond de waardepeildatum zijn verkocht.
3. Eiser betoogt dat de vergelijkingsobjecten die verweerder heeft gebruikt onvoldoende vergelijkbaar zijn met eisers woning. Hij wijst op een andere villa aan de [adres 2] in [woonplaats] die volgens eiser wél als referentie kan dienen, omdat die villa een beter vergelijkbare ligging en een soortgelijke perceeloppervlakte heeft als eisers woning. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. De villa aan de [adres 2] is op 15 september 2018 verkocht voor € 1.750.000,--. Deze verkoopdatum ligt te ver (meer dan anderhalf jaar) verwijderd van de waardepeildatum van 1 januari 2017. De verkoopprijs van deze villa kan daarom niet als uitgangspunt dienen voor de waardering van eisers woning per waardepeildatum. Verweerder heeft de villa aan de [adres 2] dan ook terecht niet betrokken in de vergelijking. Ook ziet de rechtbank niet dat de vergelijkingsobjecten die verweerder heeft gebruikt onvoldoende vergelijkbaar zijn met eisers woning. Verweerder heeft de woning vergeleken met vier andere villa’s in [woonplaats] die rond dezelfde bouwperiode zijn gebouwd als eisers woning en waarvan het merendeel in dezelfde wijk ligt. Met de taxatiematrix heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij in voldoende mate rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, wat betreft onder meer voorzieningen, ligging, onderhoud en woninginhoud. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt wat de verhouding is tussen de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten en de vastgestelde waarde van eisers woning. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser wijst verder op het waardedrukkende effect van de wildgroei en oude fundering in de tuin bij zijn woning. Volgens eiser heeft verweerder daar bij de waardevaststelling geen rekening mee gehouden. Ook dit betoog kan de rechtbank niet volgen. Uit de taxatiematrix blijkt dat verweerder hier wel rekening mee heeft gehouden door € 75.000,-- ‘locatiewaarde’ in mindering te brengen op de waarde van eisers woning. Eiser heeft de hoogte van dit bedrag niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser wijst er tot slot op dat de stijging van de waarde van zijn woning niet in lijn is met voorgaande jaren. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de Woz-waarde voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van de verkoopwaarden van vergelijkingsobjecten op of rond de waardepeildatum. De waarde die voor een vorige waardepeildatum aan de woning is toegekend is daarbij niet van belang. Dit volgt uit artikel 18 van Pro de Wet Woz. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het proces-verbaal van deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.