ECLI:NL:RBMNE:2019:5484

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 augustus 2019
Publicatiedatum
19 november 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 954
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 AwbWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde woning afgewezen wegens onvoldoende bewijs voor lagere correctie

Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning, die door verweerder was vastgesteld op €657.000,- voor het belastingjaar 2017 met waardepeildatum 1 januari 2016. Zij vorderde een lagere waarde. De rechtbank behandelde de zaak op 30 augustus 2019, waarbij de gemachtigden van beide partijen en de taxateur van verweerder aanwezig waren.

Verweerder had een taxatiematrix overgelegd waarin de woning werd vergeleken met zes referentiewoningen die qua bouwjaar, type, ligging en oppervlakte vergelijkbaar waren. Verweerder had een correctie toegepast voor de slechtere staat van onderhoud van de woning, die eiseres onvoldoende onderbouwde met bewijsstukken zoals verzakking of gebrekkige riolering. Eiseres weigerde bovendien een inpandige opname door verweerder en haar eigen taxateur had ook geen inpandige inspectie verricht.

De rechtbank constateerde dat verweerder artikel 8:42 van Pro de Awb had geschonden door niet alle relevante stukken te overleggen, maar zag geen aanleiding tot nadere gevolgtrekkingen omdat de beroepsgronden hier niet op waren gericht. De rechtbank oordeelde dat verweerder met de taxatiematrix aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor een lagere waardering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/954

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

30 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: A. van den Dool),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: B.A. Schras).

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Het beroep richt zich tegen verweerders uitspraak op bezwaar van 23 januari 2018, waarin het bezwaar van eiseres tegen de beschikking van 31 januari 2017 ongegrond is verklaard. Bij die beschikking heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de woning [adres] in [woonplaats] voor het belastingjaar 2017 vastgesteld op € 657.000,-, naar de waardepeildatum 1 januari 2016. Eiseres bepleit een lagere waarde.
2. De zaak is behandeld op de zitting van 30 augustus 2019, waar de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en verweerders taxateur [taxateur] aanwezig waren. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank direct uitspraak gedaan en is erop gewezen dat hiertegen hoger beroep kan worden ingesteld.
3. Namens eiseres is er aan het einde van de zitting op gewezen dat het verslag van de hoorzitting en de grondstaffel door verweerder ten onrechte niet zijn overgelegd. Dit zijn op de zaak betrekking hebbende stukken die verweerder op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank had moeten sturen. Het gevolg is dat de rechtbank daaruit, gelet op artikel 8:31 van Pro de Awb, de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank zal volstaan met de vaststelling dat verweerder artikel 8:42 van Pro de Awb heeft geschonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om andere gevolgtrekkingen te maken, omdat de beroepsgronden verder niet zien op de inhoud van deze stukken. De rechtbank kan de zaak afdoen zonder deze stukken en eiseres heeft zelf kennelijk ook geen behoefte gehad aan inzage in deze stukken.
4. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met zes referentiewoningen en waarin de waarde van de woning is getaxeerd op € 678.000,-. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de woning is vergeleken met de verkoopcijfers van referentiewoningen die rondom de waardepeildatum zijn gerealiseerd voor woningen die wat betreft bouwjaar, type, uitstraling, ligging en gebruiks- en perceeloppervlakte goed vergelijkbaar zijn met de woning. Met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen heeft verweerder rekening gehouden door verschillende waarden voor de deelobjecten en de gebruiks- en perceeloppervlakte te hanteren. Partijen zijn het erover eens dat de staat van onderhoud van de woning slechter is dan gemiddeld en verweerder heeft hiervoor kenbaar en inzichtelijk een correctie aangebracht in de matrix. Volgens eiseres is deze correctie niet groot genoeg, maar het had op haar weg gelegen om met bewijzen van bijvoorbeeld de gestelde verzakking en de gebrekkige riolering te komen. Die bewijzen zijn er niet. Eiseres weigert om verweerder een inpandige opname te laten verrichten en op de zitting is toegelicht dat de taxateur van eiseres’ gemachtigde het ook niet nodig heeft gevonden om inpandig te gaan kijken. Zonder deze informatie heeft verweerder mogen uitgaan van de nu in de matrix toegepaste correctie.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Knoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.