ECLI:NL:RBMNE:2019:5484
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning afgewezen wegens onvoldoende bewijs voor lagere correctie
Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning, die door verweerder was vastgesteld op €657.000,- voor het belastingjaar 2017 met waardepeildatum 1 januari 2016. Zij vorderde een lagere waarde. De rechtbank behandelde de zaak op 30 augustus 2019, waarbij de gemachtigden van beide partijen en de taxateur van verweerder aanwezig waren.
Verweerder had een taxatiematrix overgelegd waarin de woning werd vergeleken met zes referentiewoningen die qua bouwjaar, type, ligging en oppervlakte vergelijkbaar waren. Verweerder had een correctie toegepast voor de slechtere staat van onderhoud van de woning, die eiseres onvoldoende onderbouwde met bewijsstukken zoals verzakking of gebrekkige riolering. Eiseres weigerde bovendien een inpandige opname door verweerder en haar eigen taxateur had ook geen inpandige inspectie verricht.
De rechtbank constateerde dat verweerder artikel 8:42 van Pro de Awb had geschonden door niet alle relevante stukken te overleggen, maar zag geen aanleiding tot nadere gevolgtrekkingen omdat de beroepsgronden hier niet op waren gericht. De rechtbank oordeelde dat verweerder met de taxatiematrix aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor een lagere waardering.