De wrakingskamer van de Rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 november 2019 het wrakingsverzoek van een gedetineerde tegen de rechter-commissaris in een strafzaak. Verzoeker betoogde dat de rechter-commissaris vooringenomen was omdat zij een verzoek tot benoeming van een deskundige had afgewezen, wat volgens hem de bewijsvoering negatief beïnvloedde.
De rechter-commissaris had het verzoek afgewezen omdat het gevraagde deskundigenonderzoek niet relevant zou zijn voor de te nemen beslissing. Verzoeker stelde dat deze beslissing al een vooringenomen standpunt inhield, terwijl dit volgens de wrakingskamer een beslissing betrof die in eerste instantie door de zittingsrechter moet worden genomen.
De wrakingskamer oordeelde dat persoonlijke vooringenomenheid niet was gesteld of gebleken en dat ook geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond. De motivering van de rechter-commissaris was transparant en berustte op een zorgvuldige afweging van de feiten en omstandigheden. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en de strafzaak kon worden voortgezet.