De zaak betreft een vordering van eiser, voormalig bestuurder van een failliet bedrijf, tegen gedaagde voor een openstaande rekening van €19.038. Eiser stelt dat de schikking tussen gedaagde en de pandhouder ABN Amro niet rechtsgeldig is, verwijzend naar het Neo River-arrest. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat ABN Amro bevoegd was tot het treffen van een minnelijke regeling en dat hij bevrijdend heeft betaald.
De kantonrechter oordeelt dat de algemene voorwaarden van ABN Amro, waaronder artikel 8.1, de bevoegdheid tot het treffen van een minnelijke regeling aan de bank hebben overgedragen. Dit wijkt af van het uitgangspunt in het Neo River-arrest dat dergelijke bevoegdheden bij de pandgever blijven, maar partijen kunnen hiervan afwijken. De schikking tussen gedaagde en ABN Amro is daarom rechtsgeldig en gedaagde heeft bevrijdend betaald.
De vordering van eiser wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde. De kantonrechter verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.