Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.Het geschil en de beoordeling daarvan
- [gedaagde] en [bedrijfsnaam] hebben zaken met elkaar gedaan. In 2011 heeft [gedaagde] twee keer een vijzelpers gekocht van [bedrijfsnaam] . [gedaagde] was niet tevreden over de tweede vijzelpers en [bedrijfsnaam] heeft toen een aantal keer onderdelen vervangen. Volgens [gedaagde] waren de problemen daarmee niet voorbij. Er is in de loop van 2012 discussie ontstaan tussen [gedaagde] en [bedrijfsnaam] over betaling en creditering van facturen van [bedrijfsnaam] en over het retourneren van (onderdelen van) de vijzelpers.
- ABN Amro was de huisbankier van [bedrijfsnaam] . Zij had een pandrecht op de vorderingen van [bedrijfsnaam] op derden. ABN Amro heeft haar pandrecht openbaar gemaakt op 1 mei 2012.
- [bedrijfsnaam] is failliet gegaan op 21 augustus 2012.
- De curator van [bedrijfsnaam] heeft het pandrecht van ABN Amro erkend en ABN Amro is tijdens het faillissement de openstaande vorderingen van [bedrijfsnaam] op debiteuren gaan innen.
- ABN Amro heeft [gedaagde] aangeschreven tot betaling van de toen volgens [bedrijfsnaam] openstaande rekening van € 12.733. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen het openstaande bedrag met verwijzing naar de discussie die tussen haar en [bedrijfsnaam] is gevoerd over de vijzelpers.
- Op 13 november 2012 hebben ABN Amro en [gedaagde] afgesproken dat [gedaagde] € 5.000 aan ABN Amro betaalt tegen finale kwijting. [gedaagde] heeft dat bedrag op 20 december 2012 aan ABN Amro betaald.