ECLI:NL:RBMNE:2019:603
Rechtbank Midden-Nederland
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verschoning rechter wegens schijn van vooringenomenheid gegrond verklaard
In deze zaak diende een rechter een verzoek tot verschoning in op grond van artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek volgde nadat de gemachtigde van een derde-partij tweemaal om aanhouding van de zitting had verzocht, wat door de verzoekster was afgewezen. Tijdens de zitting realiseerde de verzoekster zich dat zij de gemachtigde van de eiseres kende als rechter-plaatsvervanger en dat zij eerder had samengewerkt met deze persoon.
De verzoekster voelde zich hierdoor niet vrij om de zaak verder te behandelen en wilde de schijn van vooringenomenheid vermijden. De verschoningskamer oordeelde dat de rechter uit hoofde van haar aanstelling onpartijdig wordt vermoed, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvan.
De kamer stelde vast dat de omstandigheden in dit geval zodanig waren dat de verzoekster zich niet vrij voelde om te beslissen en dat de schijn van partijdigheid bestond. Daarom werd het verzoek tot verschoning gegrond verklaard. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor beroep.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt gegrond verklaard wegens de schijn van vooringenomenheid.