Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2019 in de zaak tussen
de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Wettelijk kader
d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.
Als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman onderscheidenlijk artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet openbaarheid van bestuur, zijn uitgezonderd: (…)
c. de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover belast met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet toezicht financiële verslaggeving, de Wet financiële markten BES, de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op het notarisambt.
Betrokkenheid van verweerder bij het Uniform Herstelkader
De derivatencommissie is niet door verweerder aangesteld, zoals eiseres stelt, maar (blijkens de brief van de Minister aan de Tweede kamer van 1 maart 2016 [4] ) door de minister van Financiën op advies van verweerder, zodat de stelling van eiseres feitelijk onjuist is. Eiseres heeft ook geen aanknopingspunten aangedragen voor haar stelling dat het in de praktijk anders is gegaan dan op papier. Dit alles bij elkaar betekent dat de informatie waar eiseres om heeft gevraagd ziet op werkzaamheden die voortvloeien uit en (direct) verband houden met verweerders taken en bevoegdheden op grond van de Wft. Dat eiseres daarover meer transparantie wenst gelet op de inhoud van het Uniform Herstelkader doet er niet aan af dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat op het verzoek om openbaarmaking de Wob niet van toepassing is. Tot slot volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat sprake is van een (zware) inbreuk op het legaliteitsbeginsel en een schending van de democratische rechtstaat. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd worden geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat het bestreden besluit van verweerder in strijd met het beginsel van “zuiverheid van oogmerk” tot stand is gekomen.