ECLI:NL:RBMNE:2019:6369
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld met vergelijkingsmethode
De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een woning voor het belastingjaar 2018. De heffingsambtenaar van de gemeente had de waarde vastgesteld op €217.000,- na bezwaar, terwijl eiser een lagere waarde van €180.000,- vorderde. De rechtbank beoordeelde of de waarde niet hoger was vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer, zoals vereist door de Wet WOZ.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde straat, rekening houdend met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceeloppervlakte, staat van onderhoud, type woning en ligging. Ook werd een correctie toegepast voor gebreken en achterstallig onderhoud, gebaseerd op een eerdere inpandige taxatie uit 2014.
Eiser stelde dat de herstelkosten te laag waren ingeschat en dat de woning niet inpandig was opgenomen. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was tot inpandige opname en dat voldoende rekening was gehouden met de onderhoudstoestand. Daarnaast wees de rechtbank het bezwaar af dat de waarde te sterk was gestegen ten opzichte van voorgaande jaren, omdat de Wet WOZ vereist dat elk jaar de waarde opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele marktgegevens.
De rechtbank concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €217.000,- wordt ongegrond verklaard.