De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van een persoon met vasculaire dementie om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Vanwege zijn geestelijke toestand was twijfel over zijn wilsbekwaamheid en ontvankelijkheid. De rechtbank stelde vast dat de beschermingsbewindvoerder het verzoek mede onderschreef en daarmee als mede-verzoeker kon optreden.
Hoewel de schulden van verzoeker niet te goeder trouw waren ontstaan, met name aanzienlijke belastingschulden van circa €285.000, werd rekening gehouden met zijn ernstige gezondheidsproblemen die zijn handelingsbekwaamheid beïnvloedden. De rechtbank achtte aannemelijk dat de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle zijn gebracht, mede doordat de onderneming is beëindigd en beschermingsbewind is ingesteld.
De rechtbank overwoog dat toelating tot de schuldsaneringsregeling ook in het belang is van de echtgenote van verzoeker, die eveneens is toegelaten en met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd. De rechtbank wees het verzoek toe, stelde het salaris van de bewindvoerder vast en benoemde een rechter-commissaris. Het vonnis werd uitgesproken door mr. M.J. Smit op 18 februari 2019.