In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een appartement dat hij juridisch bezit, maar waarin gedaagde, zijn vader, nog steeds gebruik maakt. Eiser wil het appartementsrecht verkopen en verlangt daarom dat gedaagde het pand ontruimt.
Gedaagde voert verweer door te stellen dat hij als economisch eigenaar tot zijn dood recht heeft op gebruik van het appartement. Hij betoogt dat hij een groot deel van de koopprijs zelf heeft betaald en de rest via afbetalingen aan eiser heeft voldaan. Gedaagde onderbouwt zijn stellingen met schriftelijke verklaringen en biedt getuigenbewijs aan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat in kort geding slechts kan worden beoordeeld of het waarschijnlijk is dat eiser in een bodemprocedure gelijk krijgt. Door de tegenstrijdige en stellige verklaringen van partijen is dit onvoldoende aannemelijk. Het geschil vereist nader onderzoek en bewijsopdrachten, wat in kort geding niet mogelijk is.
Daarom wijst de rechter de vordering tot ontruiming af en compenseert de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans en op 11 september 2019 openbaar uitgesproken.