ECLI:NL:RBMNE:2019:6533

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 september 2019
Publicatiedatum
8 april 2020
Zaaknummer
UTR 18/3431
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 2.27 WaboArt. 6.5 BorArt. 7:12 AwbAfdeling 3.4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering legalisatie drie bouwwerken wegens strijd met omgevingsrecht

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 2 juli 2018 van de gemeente Woerden, waarin de aanvraag tot legalisatie van drie bouwwerken op een perceel werd afgewezen. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat het aanwijzingsbesluit van 21 mei 2013 in strijd is met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit was te ruim en omzeilde de hoofdregel dat een verklaring van geen bedenkingen vereist is bij weigering van een omgevingsvergunning.

Omdat de verklaring van geen bedenkingen niet was verleend, was de gemeente niet bevoegd het besluit te nemen. De rechtbank gaf de gemeente de mogelijkheid het gebrek te herstellen, maar deze maakte hiervan geen gebruik. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5 van het Bor en artikel 7:12 van Pro de Awb.

De rechtbank draagt de gemeente op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en de tussenuitspraak. Tevens moet de gemeente het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden en is zij veroordeeld in de proceskosten van eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de legalisatie wordt vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/3431

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser, en
[eiseres], eiseres, te [woonplaats] , tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. Y.M.G. van den Heerik),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Rijke en mr. J.J. Turenhout).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder, onder toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de aanvraag voor het legaliseren van drie bouwwerken op het perceel [adres] in [woonplaats] (het perceel) afgewezen.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Bij tussenuitspraak van 25 juli 2019 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen dertien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het aanwijzingsbesluit van 21 mei 2013 in strijd is met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor dient de gemeenteraad categorieën van gevallen aan te wijzen waarin bij wege van uitzondering op de hoofdregel een verklaring niet is vereist. De rechtbank is van oordeel dat een besluit dat een verklaring van geen bedenkingen bij een weigering nooit is vereist, zo ruim is en zoveel verder ongespecificeerde gevallen omvat, dat het niet kan worden aangemerkt als een aanwijzing van een categorie van gevallen. Veeleer is sprake van het voor een deel van de besluiten omzeilen van de hoofdregel als neergelegd in artikel 6.5 eerste lid van het Bor, namelijk in die gevallen waarin het college wil weigeren om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning te verlenen. Omdat de verklaring van geen bedenkingen wel vereist was, maar niet is verleend, was verweerder niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo de omgevingsvergunning te weigeren. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd is met het bepaalde in artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5 van het Bor.
Verweerder is in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen door het verzoek om een verklaring van geen bedenkingen in het kader van eisers aanvraag om een omgevingsvergunning alsnog aan de gemeenteraad voor te leggen.
3. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5 van het Bor en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Ekris, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.