4.3Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Op 21 oktober 2018 omstreeks 00.30 uur kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opdracht om naar het [adres] in [woonplaats] te gaan in verband met een woningbrand. Deze woningbrand was in een appartement op de tiende verdieping van het gebouw [naam] .
Door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] is onderzoek in de woning aan het [adres] te [woonplaats] verricht.De flat bestond uit 15 woonlagen met totaal 377 woningen, de betreffende woning bevond zich op de 10e woonlaag. In de woning zagen zij een deels verbrande bedbodem staan. Achter het bed zagen zij een zogenaamde "omgekeerde V-vorm" op de wand. In het brandbeeld kunnen soms bepaalde vormen (inbrandingen) herkend worden zoals de zogenaamde “V-vorm”, waar de punt van de V wijst naar de oorsprong van de brand. Tegen de wand werd een grote hoeveelheid verbrande resten aangetroffen: papier, bedveren, delen van dekbed en de matrasovertrek.Op het bureau werd een flesje aanstekerbenzine van het merk: "zippo" aangetroffen. Op een kleine hoeveelheid na was het flesje leeg.
In verband met de repressie door de brandweer heeft de brand zich niet door ontwikkeld. Wel was er sprake van grote rookontwikkeling. Als de brand/rookontwikkeling zich voort kon zetten zonder tussenkomst van repressie kon deze mogelijk heet genoeg worden om secundaire brandhaarden te veroorzaken en kon de brand zich wel door ontwikkelen.
Door verbalisant [verbalisant 5] zijn de camerabeelden van 20 oktober 2018 behorend bij het flatgebouw [naam] bekeken. Verbalisant [verbalisant 5] nam het volgende waar:
- om 23.39.39 uur stapt verdachte [verdachte]
(de rechtbank begrijpt dat hier verdachte [verdachte] wordt bedoeld)op de tiende etage de lift in;
- om 23.40.14 uur komt de lift op de begane grond en verlaat verdachte [verdachte] de lift.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met opzet zijn bed in brand had gestoken.Hij had met een Zippo
(de rechtbank begrijpt dat verdachte hiermee een aansteker bedoelt)een prop papier aangestoken, gewacht tot het brandde en de prop papier midden op het bed gegooid.Hij had even daarvoor een flinke scheut ethanol uit de navulflacon voor de Zippo op het papier gedaan.
Bewijsoverwegingen
Opzet
Gedragsdeskundigen hebben verdachte onderzocht en geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit leed aan een psychotische stoornis. Zij adviseren verdachte volledige ontoerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank volgt hen daarin. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat het bestaan van een ziekelijke stoornis, zoals de psychose van verdachte, evenwel niet in de weg aan het bewijs van opzet. Dat is ook niet het geval bij een vastgestelde volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Dit is slechts anders, indien bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan is volgens de Hoge Raad slechts bij hoge uitzondering sprake.
Verdachte heeft bij de politie uitvoerig en gedetailleerd verklaard over wat er vooraf ging aan het moment waarop hij zijn bed met een stuk brandend papier in brand stak. Verdachte had – kort gezegd – ruzie met de stemmen in zijn hoofd en zij lieten hem niet met rust. Hij had de stemmen een ultimatum gesteld, een ultimatum waaraan de stemmen niet voldeden. Vervolgens heeft hij aanstekervloeistof op het papier gedaan, het papier in brand gestoken en op zijn bed gegooid. Daarna heeft hij zijn appartement verlaten. Hij heeft de gok genomen en stiekem gehoopt dat het gedoofd was.
Uit voornoemde verklaring kan worden afgeleid dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Voorts moet in dergelijke situaties, waarin het delict een activiteit vergt, een tenminste minimaal besef van het eigen handelen bij verdachte aanwezig zijn geweest. In zekere zin kan worden gezegd dat verdachte op een rationele, doelbewuste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn irrationele, op wanen gebaseerde gedachten. Binnen die irrationaliteit heeft verdachte bewust handelingen verricht met het doel brand te stichten en vervolgens zijn appartement te verlaten en vervolgens niemand te waarschuwen.
Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van de brandstichting in ieder geval enig inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Levensgevaar voor personen en gevaar voor goederen
Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte brand heeft gesticht in zijn appartement dat zich op de tiende verdieping van een appartementencomplex bevond, een complex waarbij zich naast en boven elkaar gelegen woningen bevonden. De brand is rond middernacht begonnen, een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de aangrenzende en omliggende woningen thuis is, zoals in ieder geval de bewoonster van het naastgelegen appartement, nummer [nummer] . Verdachte heeft vervolgens zijn woning verlaten en is naar een vriend gegaan. Verdachte heeft op geen enkel moment bewoners van andere zich in het complex bevindende (aangrenzende) appartementen, zijn vriend of hulpdiensten gewaarschuwd. Daarnaast was er sprake van een grote rookontwikkeling. Naar algemeen bekend is, bevat deze rook giftige stoffen. Dat de door verdachte aangestoken brand geen grotere gevolgen voor goederen en personen heeft gehad dan nu het geval is, is niet aan verdachte te danken.
De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] – dat er bij deze brand geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was - niet afdoen aan het oordeel dat levensgevaar voor een ander te duchten was, nu de verbalisanten daarbij enkel hebben gelet op het gevaar dat deze brand uiteindelijk na het signaleren van de brand door de bewoonster van nummer [nummer] en het ingrijpen door de brandweer bleek te hebben opgeleverd. Voor de beoordeling van het bestaan van levensgevaar dient evenwel te worden gekeken naar het moment van de brandstichting zelf. Beoordeeld dient te worden of op dat moment het levensgevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden waaronder de brand is gesticht, beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend.
De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht waarbij gevaar voor goederen en (levens)gevaar voor personen te duchten was.