Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2019:6691

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 augustus 2019
Publicatiedatum
4 januari 2021
Zaaknummer
C/16/479756 / FO RK 19-629
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing minderjarige kinderen

Partijen zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. De moeder verzoekt vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar een andere plaats en hen daar in te schrijven op scholen. De vader verzet zich hiertegen en vraagt onder meer om een bijzondere curator te benoemen.

De rechtbank weegt het belang van de moeder om een nieuw leven op te bouwen en samen te wonen met haar partner, die een bedrijf heeft in de beoogde nieuwe woonplaats, af tegen het belang van de vader om contact met de kinderen te behouden. De rechtbank constateert dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat de verhuizing noodzakelijk is en dat de afstand tussen de woonplaatsen (circa 132 kilometer) het contact tussen vader en kinderen ernstig kan belemmeren.

Ook de goede band van de kinderen met de familie van de vader, met name de grootmoeder, speelt een rol. De rechtbank concludeert dat het belang van de moeder onvoldoende opweegt tegen het risico van verminderd contact tussen vader en kinderen en wijst het verzoek af. De subsidiaire verzoeken van de vader worden niet behandeld.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing en schoolinschrijving van de kinderen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/479756 / FO RK 19-629
Beschikking van 16 augustus 2019
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. A.H.J.M. van Hoof,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader.
De Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, locatie [vestigingsplaats] (hierna: de Raad) is betrokken op grond van artikel 810 Rv Pro.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
  • het verzoekschrift van de zijde van de moeder, ingekomen ter griffie op 25 april 2019, met producties 1 tot en met 9;
  • het verweerschrift van de zijde van de vader, ingekomen ter griffie op 27 juni 2019, met productie 1 tot en met 5;
  • de brief van de zijde van de moeder, ingekomen ter griffie op 26 juni 2019, met productie 10 en 11;
  • het faxbericht van de zijde van de moeder, ingekomen ter griffie op 28 juni 2019, met productie 12 en 13.
1.2.
De dochter van partijen, [voornaam minderjarige 1] , is door de rechtbank uitgenodigd om haar mening te geven over de verzoeken. Zij heeft op 27 juni 2019 met de kinderrechter gesproken.
1.3.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 juli 2019. Hierbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • de heer [A] namens de Raad.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. De rechtbank heeft op [datum 1] 2014 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op [datum 2] 2014 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen hebben samen twee kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [datum 3] 2006 te [geboorteplaats 1] (roepnaam: [voornaam minderjarige 1] );
  • [minderjarige 2], geboren op [datum 4] 2009 te [geboorteplaats 2] (roepnaam: [voornaam van minderjarig 2] ).
2.3.
Tijdens de echtscheidingsprocedure hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld. Zij hebben daarin afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Daarnaast hebben partijen een zorgregeling afgesproken waarbij de kinderen eens in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot dinsdag 19.00 uur bij de vader verblijven en waarbij de vakanties en feestdagen tussen partijen bij helfte worden verdeeld.

3.De beoordeling van het verzochte

Verzoeken en verweren
3.1.
De moeder verzoekt aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam van minderjarig 2] te verhuizen naar [plaatsnaam 1] . Daarnaast verzoekt zij aan haar vervangende toestemming te verlenen om [voornaam minderjarige 1] voor het schooljaar 2019/2020 in te schrijven en/of op de wachtlijst te zetten bij het [school 1] aan de [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaatsnaam 2] alsmede aan haar vervangende toestemming te verlenen om [voornaam van minderjarig 2] voor het schooljaar 2019/2020 in te schrijven en/of op de wachtlijst te zetten bij de Christelijke Basisschool (CBS) de [school 2] aan de [adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaatsnaam 1] .
3.2.
De vader voert verweer en concludeert dat de verzoeken van de moeder moeten worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de vader een bijzondere curator te benoemen, ten behoeve van de rechtsbescherming van de kinderen en om tegemoet te komen aan het feit dat zij in beginsel geen zelfstandige rechtsingang genieten, die in het verslag van bevindingen de wens/het belang van de kinderen dient aan te geven. Meer subsidiair verzoekt de vader de Raad opdracht te geven tot het doen van een raadsonderzoek naar de vraag welke beslissing in het belang van de kinderen wordt geacht, dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
Inhoudelijke beoordeling
3.3.
De rechtbank zal de verzoeken van de moeder afwijzen en aan haar dus geen vervangende toestemming verlenen om met de kinderen naar [plaatsnaam 1] te verhuizen en de kinderen daar op een school in te schrijven. De rechtbank zal hieronder uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3.4.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de rechter bij het nemen van een beslissing in een verhuiszaak alle omstandigheden van het geval in acht moet nemen en alle belangen moet afwegen. Aan de kant van de moeder is dat het belang om een eigen leven op te bouwen, samen te gaan wonen en daarvoor te verhuizen. Zij heeft sinds december 2014 een relatie met de heer [B] en zij zijn op [datum 5] 2018 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Zij hebben samen een zoon, [C (voornaam)] en de moeder is opnieuw in verwachting. De reden voor de moeder om naar [plaatsnaam 1] te willen verhuizen is dat haar partner daar sinds 2010 zijn bedrijf heeft. In eerste instantie had hij nog een baan in [plaatsnaam 3] en was hij alleen betrokken bij het management van de boerderij. In 2016 heeft de heer [B] zijn baan in [plaatsnaam 3] opgezegd en is fulltime op de boerderij gaan werken. Het gevolg van deze keuze is dat de heer [B] gemiddeld vier à vijf dagen per week in [plaatsnaam 1] moest verblijven. Hierdoor kan hij minder tijd doorbrengen in [woonplaats] met de moeder en de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de moeder de noodzaak om naar [plaatsnaam 1] te verhuizen onvoldoende heeft onderbouwd. De partner van de moeder heeft ervoor gekozen zijn werkzaamheden volledig te gaan uitoefenen in [plaatsnaam 1] toen hij al een relatie met de moeder had. Hij reist inmiddels al enige tijd op en neer.
Tegenover het belang van de moeder staat het belang van de vader dat het contact tussen hem en de kinderen wordt behouden. De moeder stelt voor dat dat tussen de kinderen en de vader een ruime zorgregeling kan blijven bestaan, waarbij de kinderen drie weekenden in de maand van vrijdag tot en met zondag bij de vader verblijven. De rechtbank is met de vader van oordeel dat het heen en weer reizen voor de kinderen – vanwege de grote reisafstand tussen [woonplaats] en [plaatsnaam 1] van ongeveer 132 kilometer – erg belastend zal zijn. Hierdoor bestaat het gevaar dat het contact tussen de vader en de kinderen door de verhuizing afneemt. Zeker nu de kinderen ouder worden en dan steeds meer een eigen leven krijgen met de daarbij behorende (sociale) verplichtingen in hun woonplaats. Ook de Raad heeft op de zitting zijn zorgen hierover geuit. Daar komt nog bij dat de kinderen een zeer goede band hebben met de familie van de vader in [woonplaats] . Met name de oma (vaderszijde) heeft een belangrijke rol in het leven van de kinderen. Door de verhuizing van de kinderen naar [plaatsnaam 1] zal ook deze band veranderen doordat zij minder contact met elkaar zullen hebben.
Alles afwegende vindt de rechtbank het belang van de moeder om te verhuizen onvoldoende opwegen tegen het risico van het afnemen van het contact tussen de vader en de kinderen als gevolg van een eventuele verhuizing naar [plaatsnaam 1] . Als de moeder naar [plaatsnaam 1] zou verhuizen, zouden de kinderen een aantal keren per maand heen en weer moeten reizen om op regelmatige basis contact met de beide ouders te kunnen behouden, terwijl als de moeder niet verhuisd, alleen haar nieuwe partner heen en weer zal moeten (blijven) reizen.
3.5.
Omdat de rechtbank de verzoeken van de moeder zal afwijzen, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vader.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. I.L. Rijnbout en mr. N.J.W.G. Simons, allen (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. M.N. Cheuk A Lam als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2019.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.