In deze zaak heeft de moeder verzocht om de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen te wijzigen door de omgang tijdelijk op te schorten of te ontzeggen, naar aanleiding van een beschuldiging dat de vader het jongste kind onzedelijk zou hebben betast. De rechtbank verwijst naar eerdere beschikking van 3 april 2019 en constateert dat de moeder de omgang heeft stopgezet vanwege deze beschuldiging.
De vader betwist de beschuldiging en verzet zich tegen het verzoek. Tijdens een zitting op 6 maart 2019 hebben partijen afgesproken het Wijkteam in te schakelen om een veiligheidsplan op te stellen en mogelijke hulpverlening te onderzoeken. De moeder meldt later dat de vader zich niet heeft aangemeld bij het Wijkteam, terwijl de vader stelt dat hij dit wel heeft gedaan maar geen vertrouwen heeft in de geboden hulpverlening.
De rechtbank overweegt dat het kind recht heeft op omgang met de ouders, maar dat de omgang kan worden ontzegd indien dit ernstig nadeel oplevert of andere zwaarwegende belangen zich voordoen. Omdat de vader instemt met het ontzeggen van de omgang en de procedure voortijdig wordt beëindigd, kan de rechtbank niet vaststellen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Bovendien vindt er op initiatief van de vader geen omgang meer plaats, waardoor de moeder geen belang meer heeft bij haar verzoek.
De rechtbank wijst daarom het verzoek van de moeder af. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na dagtekening.