In deze civiele procedure vorderen verhuurders een hogere huurprijs voor woonruimte, waarbij de huurprijsgrens wordt vastgesteld aan de hand van de WOZ-waarde en het puntenstelsel.
De verhuurders konden geen WOZ-beschikking overleggen met peildatum 1 januari 2017, omdat de woning toen nog in aanbouw was. Zij stelden dat de WOZ-waarde van €153.000 per 1 januari 2017 redelijker was dan de minimumwaarde van €41.816. De huurders betoogden dat de verhuurders nalatig waren geweest door geen bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde en dat daarom de minimumwaarde moest gelden.
De kantonrechter oordeelde dat het ontbreken van een WOZ-beschikking niet aan de verhuurders te wijten was, omdat de WOZ-taxateur geen beschikking kon verstrekken voor een gebouwd eigendom in aanbouw. Daarom werd uitgegaan van de WOZ-waarde van €153.000 per 1 januari 2017. De puntenwaardering werd aangepast naar 148 punten, wat een maximale huurprijs van €730,51 per maand oplevert.
De kantonrechter stelde de huurprijs op dit bedrag vast, veroordeelde de verhuurders in de proceskosten van de huurders en wees het meer of anders gevorderde af.