ECLI:NL:RBMNE:2019:764

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2019
Publicatiedatum
25 februari 2019
Zaaknummer
UTR 18/4871
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 Regeling omgevingsrechtArt. 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening handhaving bouwactiviteiten met motiveringsgebrek

Verzoeker heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren verzocht handhavend op te treden tegen bouwactiviteiten op een perceel, omdat volgens hem wordt afgeweken van de verleende bouwvergunning, met name ten aanzien van de fundering. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen na een reguliere bouwcontrole en beoordeling van constructieberekeningen, waarbij is vastgesteld dat de afwijking in fundering is goedgekeurd door een constructeur.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening het primaire besluit zodanig gebrekkig moet zijn dat het naar voorlopig oordeel niet in stand kan blijven. Hoewel een motiveringsgebrek is vastgesteld omdat niet duidelijk is gemaakt dat de gecontroleerde constructieberekeningen niet zien op de hoofdlijn van de constructie of het constructieprincipe, kan verweerder dit gebrek herstellen in de bezwaarprocedure.

Verder is vastgesteld dat de fundering door een externe constructeur is beoordeeld en goedgekeurd, en dat de gemeentelijke toezichthouder controles uitvoert en zal blijven uitvoeren. Gelet hierop en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor een overtreding, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot handhavend optreden.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en worden de proceskosten niet aan verweerder opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit om niet handhavend op te treden is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/4871
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder
(gemachtigde: mr. F. van de Kamp).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[derde-partij] ,te [woonplaats] , vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden inzake het bouwen van een woning op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel) afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Vergunninghouder is ook ter zitting verschenen, vergezeld van zijn partner.

Overwegingen

1.Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in dit stadium (tijdens de bezwaarfase) in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Eventuele gebreken in het besluit leiden niet automatisch tot het treffen van een voorlopige voorziening, wanneer deze gebreken in de beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld. Verder geldt dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in de eventuele beroepsprocedure niet bindt.
2. Verzoeker woont op het adres [adres] in [adres] . Vergunninghouder is sinds 4 juli 2018 eigenaar van het perceel. Verweerder heeft aan de vorige eigenaar van het perceel bij besluit van 22 januari 2008 vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning 1e fase verleend voor het bouwen van een woning op het perceel. Die vergunning is op 8 mei 2013 onherroepelijk geworden.
3. Op 5 december 2018 heeft verzoeker verweerder schriftelijk verzocht om handhavend op te treden tegen de bouwactiviteiten op het perceel. Volgens verzoeker wordt wat betreft de constructie van de te bouwen woning afgeweken van de verleende bouwvergunning. Om die reden zou de bouw stil gelegd moeten worden en zou vergunninghouder een nieuwe omgevingsvergunning moeten aanvragen.
4. Verweerder heeft het verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Uit een reguliere bouwcontrole op 11 december 2018 is gebleken dat geen sprake is van het bouwen in afwijking van of zonder omgevingsvergunning. Wel is gebleken dat sprake is van een ander soort fundering, maar deze manier van funderen is voorgelegd aan een constructeur en na beoordeling goedgekeurd.
5. Verzoeker voert in deze procedure aan dat verweerder de bouw zou moeten stil leggen, omdat vergunninghouder volledig afwijkt van wat in de bouwvergunning over de fundering is vastgelegd. Uit de door vergunninghouder bij verweerder ingediende berekeningen en tekeningen blijkt dat de fundering en dus ook de draagconstructie ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan wijzigt, waardoor in afwijking van de vergunning wordt gebouwd. Het is verzoeker niet duidelijk of metingen zijn verricht en berekeningen zijn uitgevoerd om vast te stellen of de wijze waarop nu gebouwd gaat worden, mogelijk is op de gewijzigde fundering. Indien nodig, zou vergunninghouder een nieuwe vergunningaanvraag moeten indienen.
6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Het bestuursorgaan mag slechts onder bijzondere omstandigheden van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom afzien. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als het opleggen van een dergelijke last zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien.
7.1
Bij de toetsing van een bouwplan aan de eisen van constructieve veiligheid dient in ieder geval duidelijkheid te bestaan over de hoofdlijn van de constructie en het constructieprincipe van het bouwwerk.
7.2
Uit artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling omgevingsrecht volgt dat binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de bouwwerkzaamheden nog gegevens en bescheiden kunnen worden overgelegd met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe betreft.
7.3
Vergunninghouder heeft op 1 augustus 2018 constructieberekeningen en tekeningen aan verweerder ter beoordeling voorgelegd. Deze gegevens heeft de constructeur van verweerder op 31 oktober 2018 beoordeeld en goedgekeurd.
7.4
Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft op verzoek van verweerder op
3 januari 2019 op het perceel een controle van de constructie plaatsgevonden door een toezichthouder. Deze heeft gerapporteerd dat de fundering minder puntbelastingen te verduren zal krijgen en daardoor minder zal worden belast. Ook ontstaat er een evenredig belastingpatroon op de fundering, omdat de wanden geheel dragend worden uitgevoerd.
7.5
De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan wat de toezichthouder heeft geconstateerd en gerapporteerd. Gelet op de twee rapporten van 31 oktober 2018 en
3 januari 2019 en op wat ter zitting naar voren is gebracht, is echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de gecontroleerde constructieberekeningen en tekeningen niet zien op de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe. Ter zitting heeft verweerder dit ook desgevraagd niet kunnen verduidelijken. Dit motiveringsgebrek geeft de voorzieningenrechter echter vooralsnog onvoldoende aanleiding om te oordelen dat verweerder handhavend had moeten optreden. Verweerder kan immers het gebrek herstellen in de nog te nemen beslissing op bezwaar. Handhavend optreden door verweerder ligt dan ook niet in de rede, waarbij de voorzieningenrechter meeweegt dat de tekeningen van de fundering getoetst zijn door een externe constructeur en dat die heeft vastgesteld dat de constructie voldoet aan de daarvoor geldende eisen. Bij een nieuwe aanvraag zal de toets naar verwachting niet anders zijn. Ook staat vast dat de gemeentelijke toezichthouder op het perceel controles heeft uitgevoerd en nog regelmatig zal uitvoeren.
8. Gelet op het voorgaande geven de door verzoeker naar voren gebrachte gronden geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Onder die omstandigheden bestaat er geen aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.