Verzoekster, een ondernemer met een belastingschuld van ruim €84.000 bij de Belastingdienst, verzocht de rechtbank om een dwangakkoord vast te stellen en toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij bood een schuldregeling aan waarbij zij gedurende 36 maanden een deel van haar afloscapaciteit zou reserveren, met een mogelijke verlenging tot 48 maanden.
De Belastingdienst, als enige schuldeiser, verzette zich tegen het voorstel omdat zij niet instemt met spaarsaneringen voor ondernemers en omdat verzoekster andere preferente schulden heeft laten prevaleren boven de belastingschuld. De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet te goeder trouw heeft gehandeld, omdat zij sinds 2015 mee betaalde aan de hypotheek van haar partner, wat ten koste ging van haar belastingbetalingen.
Daarnaast was onvoldoende duidelijk dat het schuldregelingsvoorstel het uiterste was wat verzoekster financieel kon bieden, mede omdat haar werkuren niet controleerbaar waren en zij niet altijd fulltime werkte. Gezien deze omstandigheden weegt het belang van de Belastingdienst zwaarder en worden beide verzoeken afgewezen.