De rechtbank Midden-Nederland heeft op 12 maart 2019 besloten de inbewaringstelling van de heer A, bestuurder van twee gefailleerde vennootschappen, te verlengen tot en met 11 april 2019. De inbewaringstelling is bedoeld als dwangmiddel om medewerking aan de afwikkeling van de faillissementen af te dwingen.
Hoewel de bestuurder sinds de vorige verlenging gedeeltelijk is gaan meewerken door het verstrekken van administratieve gegevens en het beantwoorden van vragen, ontbreekt nog essentiële informatie over tegenvorderingen, bedrijfsstructuur en financiële verhoudingen met buitenlandse vennootschappen. De curator en rechter-commissaris achten het vluchtgevaar reëel vanwege de betrokkenheid van vennootschappen in Dubai, de Seychellen en Engeland en het ontbreken van grip op hun bankrekeningen.
De rechtbank weegt het recht op persoonlijke vrijheid van de bestuurder tegen de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en komt tot de conclusie dat de belangen van de schuldeisers zwaarder wegen. De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de inbewaringstelling af, mede omdat een voorwaarde voor schorsing – het afgeven van een volmacht aan de curator voor beheer van buitenlandse vennootschappen – niet is aanvaard. De rechtbank oordeelt dat deze voorwaarde geen misbruik van recht is, aangezien de bestuurder zelf verantwoordelijk is voor het gebrek aan openheid.
De inbewaringstelling duurt inmiddels ruim zeven maanden en wordt opnieuw met 30 dagen verlengd. De rechtbank benadrukt dat de bestuurder verplicht is volledige en juiste informatie te verstrekken en dat zonder deze medewerking de belangen van schuldeisers onvoldoende worden beschermd.